Feature —

De architect als expert-getuige

Matthias Pauwels

De Israëlische architect Eyal Weizman gaf een lezing in de ‘Architecture & Power’-reeks die nu loopt op het Berlage Instituut. Op pijnlijke wijze legde hij bloot hoe alle concepten die door architecten de laatste decennia werden gemobiliseerd voor het ondermijnen van de stad, vandaag de dag gekaapt zijn door het militaire apparaat.

Weizman is een controversieel architect. Eerder werden tentoonstellingen van hem geboycot of gecensureerd omdat ze teveel inzicht boden in de interne keuken van de vuile oorlog die Israël voert tegen de Palestijnen. Het meeste werk van Weizman gaat dan ook over de manier waarop de stad niet meer uitsluitend de container is van militaire conflicten, maar een integraal onderdeel is geworden van het wapenarsenaal.

Het meest fascinerende onderwerp van Weizmans lezing betrof de nieuwe vormen van stedelijke oorlogvoering die het Israëlische leger (IDF) ontwikkelde in Balata, een voormalig legerkamp van de Britten. Balata is tot de nok toe gevuld met Palestijnse vluchtelingen. De wijk wordt door de Israëliërs aangemerkt als ‘non-governable’: een zwart gat waar zelfs het zwaarbewapende leger zich niet langer waagt. Met name het fijnmazige en labyrintische netwerk van steegjes stelde het leger voor onoverkomelijk problemen in haar pogingen om de verzetsstructuren in het kamp te breken.

De oplossing voor dit probleem kwam van een generaal die goed bekend was met de poststructuralistische filosofie. Hij kwam op het idee om de buurt op te vatten als een volstrekt massief bouwblok en er – gewapend met een GPS – letterlijk wormgaten door te boren op zoek naar de schuilplaatsen van vermeende terroristen. De militairen sneden door muren heen, door woonkamers, keukens, slaapkamers.  Zo konden ze de hevig geboobytrapte steegjes vermijden en de verzetstrijders compleet verrassen.

Weizman liet een aantal kaarten zien waarop hij de kronkelende, driedimensionale wormgaten van het IDF door de buurt had gereconstrueerd. Deze techniek – men spreekt over ‘wandelen door muren’ – heeft het IDF dermate geperfectioneerd dat er zelfs een codesysteem van bewegwijzeringen is aangebracht op de doorboorde muren. Ondertussen zou de helft van de huizen van het kamp minimaal acht van deze wormgaten bevatten. Het resultaat, aldus Weizman, is een volledige subversie van niet alleen de ‘kunst’ van het oorlogvoeren, maar ook van de normale beleving van de stad en haar architectuur. Muren bieden niet langer houvast en bescherming, het gevoel van binnen en buiten wordt op zijn kop gezet, de huiskamer komt midden in het strijdveld te liggen.

Deze strategie van het ‘ontmuren van de muur’ – een term die Weizman ontleent aan Gordon Matta-Clark – was slechts één van de vele subversieve strategieën van de architecturale avant-gardes uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Weizman toont op pijnlijke wijze aan hoe deze strategieën volledig gerecupereerd zijn door het militaire apparaat. Bernard Tschumi’s concept van ‘disjunctie’ (de generaal in kwestie bleek druk bezig met een Israëlische vertaling van ‘Architectuur en disjunctie’), de Situationistische tactiek van ‘détournement’, het concept van de zwerm, niets bleek te subversief om niet toegeëigend en getransformeerd te worden door het leger in doeltreffende instrumenten van macht.

Als Weizmans lezing iets verwezenlijkte, dan was het dus wel een wake-up call voor subversieve architecten. Wat te doen als uitgerekend de hedendaagse militaire orde voorop loopt in het ondermijnen van de stad? De filosofie hierachter werd klaar en duidelijk uitgedrukt door de hierboven genoemde generaal: ‘elke generaal moet een architect zijn, soldaten moeten een denkmethode worden aangeleerd, een perspectief op de ruimte, die dezelfde is als deze van operationele architecten’.

Door het bedroevende gebrek aan kritische vragen tijdens de discussieronde – er mag toch meer worden verwacht van de toekomstige organisatoren van de 3e International Architectuur Biënnale Rotterdam – greep Weizman de kans om nog een paar stevige stellingen aan zijn lezing toe te voegen. We leerden dat een architectuur van verzet enkel kan ontstaan door een grondige studie van de logica’s van de hedendaagse manipulatie van de ruimte. Alleen wanneer we deze doorgronden en eigen maken kunnen we tot een nieuw instrumentarium voor architecturaal verzet komen, aldus Weizman.

Hij waarschuwde evenwel voor de hedendaagse tendens van architecten om bepaalde instrumenten te fetisjeren, bijvoorbeeld om alles wat ‘netwerk’ of ‘zelforganisatie’ is op onproblematische wijze te zien als ‘gewenst’ of ‘subversief’. Volgens Weizman is de multitude het model bij uitstek van het neoliberalisme. Hij zelf ziet meer in een heropleving van noties zoals ‘conflict’.

Weizman haalde ook hard uit naar zogenaamde ‘do good’-architecten die door het herbouwen van de beschadigde gebouwen of infrastructuur in de kampen de misdaden van het IDF toedekken. Door opnieuw orde te scheppen in de chaos, de rust te herstellen, zorgen deze ‘do-good’-architecten er indirect voor dat er nooit een totale opstand uitbreekt onder de slachtoffers. Tegenover deze humanitaire architecturale praktijken riep hij architecten op om, geconfronteerd met de huidige machinaties rond de ruimte, de rol van expert-getuige op zich te nemen. Dit wil zeggen, om als architect niet meteen ‘iets constructief te willen doen’, maar vanuit een ethisch gevoel van verontwaardiging je knowhow in te zetten om precieze getuigenis af te leggen van de strijd om en via ruimtelijke processen. Dat dit allesbehalve een impotente positie is, liet Weizman zien aan de hand van de Israëlische muur. Deze wringt zich in allerlei bochten onder druk van allerlei ‘zachte’ micro-acties van gemeenten, bewonersgroepen, mapping projecten of mensenrechtenorganisaties aan weerszijden van de muur.

Weizmans waarschuwing voor een fetisjering van de middelen of instrumenten voor verzet door architecten, moet ook toegepast worden op zijn eigen positie. Zijn getuigenis van vrij extreme vormen van architecturale oorlogvoering loopt het gevaar zélf als een fetisj te functioneren bij Nederlandse architecten die ver af staan van deze bewogen militaire conflicten. Weizmans conclusies en strategieën dienen ook te worden toegepast in de Nederlandse situatie. Rekening houdend met wat er in het kader van de Grote Verbouwing (de herstructureringsoperatie van naoorlogse woonwijken) plaats vindt – de socio-economische zuiveringen in Nederlandse probleembuurten – is ook hier een grote behoefte aan architecten die getuigenissen afleggen. Deze terugkoppeling van Weizmans werk op de Nederlandse situatie bleef op het Berlage Instituut helaas achterwege. Wat een gemiste kans was. Herkansing is mogelijk op de Biënnale.