Feature —

De architect als glijmiddel

Benda Hofmeyr

Eind oktober was het de beurt aan Jon Jerde Partnership ­ het ‘brein’ achter de Rotterdamse koopgoot ­ om in het Berlage instituut het debat aan te zwengelen over ‘macht en architectuur’. Het werd vooral een thuiswedstrijd voor Jerde’s afgevaardigde David Rogers, die ongestoord zijn cynische kijk op het thema kon uitdragen.

Jon Jerde & consorten kun je zien als de peetvaders van het type shopping- en leisureplaza waar elke stad, die enigszins wil meedoen op de globale marktplaats der steden, over moet beschikken: grootschalig opgezet, allesomvattend, spectaculair, een mengsel van pathetische architecturale retoriek en de laatste technologische gadgets. Dicht bij huis kennen we de Jon Jerde Partnership van de Rotterdamse koopgoot. Een ontwikkeling waar elke Rotterdammer volgens David Rogers trots op mag zijn – volgens hem het meest ‘hete’ project in Rotterdam, uniek omwille van haar open, stedelijk en publieke karakter. Jerde ontwikkelde ook de ‘visie’ achter het GETZ entertainmentcenter dat de ArenA Boulevard tot het tweede centrum van Amsterdam moet maken (aldus de promotiebrochures). Rogers’ lezing bood dan ook een ideale kans om de makers van dit soort megaprojectontwikkelingen die de Nederlandse stad competitief moeten maken, eens goed het vuur aan de schenen te leggen. Het tegendeel gebeurde.

Rogers begon zijn lezing met wat hij zelf ‘zelfevidente waarheden over politiek en architectuur’ noemde:

1) Ontwikkelaars zijn steeds uit op een goede deal, een 'home-run' in zijn bewoording. Je kan hier als architect kritisch tegenover staan, maar zonder dit winstbejag van de ontwikkelaars is er simpelweg geen project. De architect moet daarom iets ontwikkelen dat niet alleen mensen trekt, maar ook iets dat hen geld laat uitgeven. Volgens Rogers moet de architect over dit laatste niet moeilijk doen want ‘mensen geven gewoon graag geld uit’.

2) Mensen gaan graag naar plaatsen die zo ontworpen zijn dat ze comfort bieden. Rogers haalde zelfs een studie aan van een neurochirurg, over de chemische effecten die in de hersenen plaats vinden wanneer mensen zich goed voelen op een plek. Hij haalde ‘betekenis’ aan als een belangrijke productiefactor voor dit comfort (meaning places), dit zou een ideaal instrument zijn om de mensen te doen terugkeren naar een plek.

3) Elke politicus wil vooral herkozen worden. Om deze politici tevreden te stellen moet de architect dan ook zorgen dat zijn project bijdraagt aan de lokale economie én de plaatselijke gemeenschap tevreden stelt.

Volgens Rogers moet de architect zich vooral niet het hoofd breken over de ethische kant van deze punten. Volgens hem is architectuur een kwestie van ‘voor wat hoort wat’. Als de architect zijn project wil realiseren dan moet hij eenvoudigweg in bed duiken met politici, ontwikkelaars en de consument, en iedereen tevreden houden. Van het laatste is pas sprake wanneer het project een financieel succes is en het electoraat er mee weg loopt.

Omgekeerd is dit ook de reden waarom politici of ontwikkelaars niet zonder de architect kunnen. Of, zoals Rogers het uitdrukte, voor hen zou de architect in het bezit zijn van ‘de sleutel tot de snoepwinkel’. Rogers’ oplossing voor het probleem van het sociale bewustzijn van de architect was dan ook eenvoudig: in het triootje tussen politici, gemeenschappen en projectontwikkelaars moet de architect de rol van bindende factor (lijm) of glijmiddel op zich nemen.

4 Olympische Spelen L.A.
5 Omslag Times Magazine
6 Hangzhou (China)

Rogers vervulde hiermee met verve de positie van de architect-schurk die allerlei cynische feitelijkheden over de architecturale praktijk verkoopt als de eeuwige wetten van het machtsspel waaraan de architect zich moet conformeren om te overleven. Rogers benadrukte weliswaar dat, los van het winstoogmerk of machtsobjectief, het doel van de architect het zo goed mogelijk bevredigen is van de menselijke behoeftes. Het probleem zit echter in deze precieze bewoordingen: ‘bevredigen van behoeftes’. Uit Rogers’ hele discours sprak vooral een visie op de mens als een behoeftig, consumerend en genotzuchtig wezen dat niets in de weg mag worden gelegd in het klaarkomen met zijn natuurlijke aandriften.

Na deze ontnuchterende visie op de architectenpraktijk wandelde Rogers door een aantal projecten. Wandelen is hier het juiste woord. Hij maakte zich er veelal met een paar oneliners van af en had het vooral over het hoge ‘home-run’-karakter van de projecten. Een shopping plaza in een grijze, industriële stad in China zou deze stad tot ‘plaats van het jaar’ hebben gemaakt. Jerde’s masterplan voor de Olympische spelen in Los Angeles zou hebben bijgedragen aan de nominatie van organisator Peter Ueberroth tot ‘man van het jaar’ in Times Magazine en zou deze spelen evenzeer tot de meest winstgevende spelen ooit hebben gemaakt. Bij Zlote Tarasy, een megaontwikkeling in Warshau, citeerde Rogers zelfs de pathetische uitspraak van een anonieme burger die claimde dat ‘het project hen hoop bracht’. Waarop Rogers op even pathetische wijze stelde: ‘that’s the kind of thing you live for’.

Kortom, met het tonen van al deze ‘knallertjes’ leek hij vooral te willen bewijzen hoe goed Jon Jerde wel niet is in het in- en uitspelen van de wensen en behoeftes van de verschillende spelers in architecturale processen.

De opvallend beleefde vragen uit het publiek bleken niet in staat om Rogers’ combinatie van sentimentaliteit, gespeelde nederigheid en cynische grapjes te doen wankelen. De impliciete kritiek in de vraag of de politieke rol van de architect ook het bevragen van het programma dient in te sluiten, kon Rogers gemakkelijk naar zijn hand zetten. Als je als architect opereert in plaatsen met veel mensen, dan moeten je ook iets bedenken voor deze mensen om te doen, zo stelde hij. Om die reden, zo ging hij verder, is een goed inzicht in de marktstudie van de projectontwikkelaar cruciaal. Projectontwikkelaars zouden meer weten over de stad dan je ooit zou kunnen vermoeden. Als architect komt het er dan op aan die programma’s toe te voegen die er nog niet zijn. Op de vraag of er binnen de strak geregisseerde ruimtes van Jon Jerde ook plaats was voor onverwachte programma’s, antwoordde Rogers dat het ‘scripten’ van de ruimte geen begrenzende factor is op spontane activiteiten, maar juist een positieve mogelijkheidsvoorwaarde ervoor. Zonder al te veel protest kon hij het voorbeeld aandragen van een ‘poet’s corner’, een gepland hoekje in een shopping mall waar dichters op zondag het volk kunnen entertainen, als het bewijs dat je in Jon Jerde’s ruimten ‘van alles kunt doen’.

Door het gebrek aan een stevig weerwoord kon Rogers ongestoord een cynisch verhaal neerzetten over macht en architectuur, een verhaal waarin zelfs het Berlage Instituut, als kritische denktank, een eigen stek kreeg toegedicht toen hij uitbrulde: ‘you guys (Berlage) do the research, we just do the projects’.