Feature —

Indisch dorp in de polder

Pauline van Roosmalen

Na vijf jaar onderhandelen gaf de gemeenteraad van Almere Stichting Rumah Senang (het prettige/behaaglijke huis) eind oktober toestemming haar lang gekoesterde wens te realiseren: de bouw van een Indisch dorp in de polder. Als alles volgens planning verloopt worden medio 2008 de eerste woningen opgeleverd.

Het initiatief van Rumah Senang is ingegeven door de wens een woonomgeving te creëren die appelleert aan de belevingswereld van een groep Indische mensen. Geen bakstenen woningen met rode pannendaken dus, of modern vormgegeven hoogbouw, maar woningen die herinneren aan het land van herkomst, het voormalig Nederlands-Indië.

Het Indische dorp bestaat uit 200 huur- en koopwoningen, 46 huurappartementen ondergebracht in het ‘hoofdgebouw’, 4 groepwoningen voor geriatrische ouderenzorg, en voorzieningen als een gezondheidscentrum, een supermarkt, dagopvang, restaurant, etc. Alle woningen en voorzieningen worden gesitueerd in een parkachtige omgeving rond een centraal, groen en open centrum.

Voorlopige schetsen geven een indruk van de vormgeving die architect Erick Eijsbouts (BDG Architecten Ingenieurs Almere) voor ogen staat. Dat Eijsbouts zich daarbij heeft laten inspireren door vormgeving en materiaalgebruik (bamboe, riet) van traditionele Indonesische woningen is vooral aan het hoofdgebouw goed af te lezen. Het hoofdgebouw wordt de blikvanger van het Indische dorp. De vormgeving ervan is, althans aan het exterieur, ontleend aan de familiewoningen van de Minangkabau op midden-Sumatra: langwerpige gebouwen op palen en een in meerdere punten hoog opgaand dak. Aan het interieur van het hoofdgebouw is van enige overeenkomst met het Minangkabause familiehuis geen sprake. Daarvoor verschilt de Minangkabause cultuur die bepalend is voor gebruik en indeling van een traditionele familiewoning nou eenmaal teveel van de Nederlandse.

De overige gebouwen in het Indische dorp zijn ingetogener vormgegeven en ontleend aan de architectuur van de Karo Batak, eveneens op Sumatra. Behalve een aan deze architectuur refererende dakvorm ontbreekt ook bij deze ontwerpen iedere referentie aan woningen van de Karo Batak. Het zijn gewoon vierkante of rechthoekige dozen met deuren, ramen, balkons, woonkamers, slaapkamers, keukens en badkamers. Woningen dus die wat betreft constructie, indeling en technische voorzieningen volledig beantwoorden aan de eisen die bouwverordeningen en het klimaat in Nederland stellen.

Imitatie-‘architectuur’ is het kenmerk van veel gated communities en van het Indische dorp in Almere. Een interessante vraag in het geval van het Indisch dorp is echter hoe de naar traditionele architectuur verwijzende gebouwen bij Indische mensen het gevoel van ‘tempoe doeloe’ doet herleven. ‘Tempo doeloe’ (vroeger) is immers net als ‘Indisch’ een begrip dat verwijst naar de tijd dat Indonesië nog Nederlands-Indië was, de Nederlandse kolonie in de Oost. Minangkabau en Karo Batak architectuur zijn echter Indonesische bouwstijlen, geen Indische. Wat de vraag doet rijzen waarom Stichting Rumah Senang Indonesisch architectuur als referentie voor een Indisch dorp kiest.

Indonesische architectuur, Sumatra (Indonesië)
boven: Minangkabau familiewoning – ‘rumah gadang’
midden: plattegrond Minangkabau familiewoning

Een relevante vraag omdat het onderscheid tussen ‘Indisch’ en ‘Indonesisch‘ wezenlijk is. ‘Indisch’ is een mengeling van Indonesische en Europese elementen. ‘Indische cultuur’ is ontstaan tijdens de periode dat Nederland de archipel die nu Indonesië heet, bestuurde. Een voorbeeld van Indische cultuur is de rijsttafel. Het waren de Nederlanders die de gerechten uit verschillende regio’s bij elkaar op het menu zetten. ‘Indonesisch’ wordt gebruikt voor dingen die ‘eigen’ zijn aan Indonesië. Saté is Indonesisch. Het traditionele Minangkabau en Karo Batak familiehuis is dat ook.

Dat Indische mensen in Nederlands-Indië omringd waren door Indonesische cultuur leidt geen twijfel. Dat ze daar herinneringen aan hebben ook niet. Maar de eerlijkheid gebied toch ook te constateren dat de levensstijl van Indische mensen doorgaans meer op Europa dan op Indonesië georiënteerd was. En dat Indische architectuur, een stijl die gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw tot ontwikkeling kwam, daarvan een onlosmakelijk onderdeel vormde.

Waarom dus niet Indische architectuur als inspiratiebron gekozen? Aan het ontbreken van voorbeelden kan het niet liggen: in alle Indonesische steden zijn tal van voorbeelden van Indische architectuur te vinden. Waaraan dan wel? Aan de mate waarin Indische architectuur geïmiteerd kan worden? Ook dat is, zoals ontwerpen van de Indonesische architect Budi Lim laten zien, geen probleem. Ik ben a priori geen voorstanden van imitatie-‘architectuur’. Maar als we dan toch voor imitatie kiezen, zou het dan niet veel meer voor de hand gelegen hebben om voor een Indisch dorp Indische architectuur als voorbeeld te nemen?

Dat zou namelijk een cultureel en een ethisch dilemma hebben voorkomen. Door alleen formele kenmerken van de Indonesische architectuur over te nemen, tonen de initiatiefnemers weinig respect voor de cultuur en religie van de Minangkabau en Karo Batak. Terwijl het juist die cultuur en religie zijn die deze, en andere regionale Indonesische bouwstijlen hun karakteristieke vorm, ruimte-indeling en constructie geven. Het veronachtzamen daarvan getuigt van weinig culturele sensibiliteit. Een gebrek dat, mede gezien de in bepaalde opzichten gevoelige relatie tussen Indische mensen, Nederlanders en Indonesiërs, bepaald bevreemding wekt. Ook in dat opzicht zou een keuze voor Indische architectuur als inspiratie een heel wat betere oplossing geweest zijn.

Indische architectuur, Indonesië
boven: villa Isola, Bandung (1931)

Zou Stichting Rumah Senang behalve voor Indische architectuur bovendien ook nog gekozen hebben voor een eigentijdse variant daarvan, dan zou wellicht de secundaire doelstelling van Stichting Rumah Senang enigszins levensvatbaar zijn geworden: het Indische dorp als toeristische attractie.

De vraag die nu overheerst bij het lezen van deze doelstelling is vooral hóe Stichting Rumah Senang zich dat voorstelt. Voor architectuurliefhebbers heeft het dorp niets te bieden. Voor andere cultureel geïnteresseerden nauwelijks. Wat moet je met gebouwen die oppervlakkig aan Sumatra herinneren maar waar je alleen omheen kunt lopen? Bovendien biedt het dorp behalve een Indonesisch restaurant en een satéhut geen enkele vorm van vertier. Essentiële gebreken voor een dorp dat toeristische ambities koestert, lijkt me. Samenwerking met Batavia Stad en de Batavia Werf in Lelystad is wellicht een optie. ‘Ervaar Indië in de polder’: een idee voor een NS-dagtocht?

Ik neem niet aan dat het Indische dorp van Rumah Senang genomineerd zal worden voor een goudkleurige of piramidevormige architectuurprijs of vermeld zal worden in een Architectuur Jaarboek. Niet omdat het geen sympathiek project is. Ook niet omdat Indonesische bouwkunst geen ‘architectuur‘ is – zoals een Nederlandse architect rond 1920 nadrukkelijk stelde. Wél omdat de ontwerpen vanwege de platte en oppervlakkige manier waarop alleen formele kenmerken van Indonesische architectuur zijn verwerkt, het predikaat ‘architectuur’ niet verdienen.

‘De woningen in het Indische dorp zijn vergelijkbaar met een flat die is vormgegeven als stolpboerderij’, zei een vriendin. ‘Het zijn tropische boerderettes.’ Laten we het daar maar op houden.