Feature —

Media in Architectuur

Erik Stekelenburg

Vrijdag 1 december opent Koningin Beatrix het onderkomen van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid bij de entree van het Mediapark in Hilversum, ontworpen door Neutelings Riedijk Architecten.

Toen Neutelings Riedijk in 1999 de besloten prijsvraag won, heette het gebouw van de beheerder van het audiovisuele erfgoed van de Nederlandse radio en televisie nog het Nederlands Audiovisueel Archief. Geprogrammeerd waren een archief, depot, museum, klantenruimtes, een servicedeel en kantoren. Het begrip 'media-experience' was nog niet in beeld. Nu is het Omroepmuseum omgeturnd tot 'multimedia belevenis met 15 themapaviljoens' en een speerpunt in de uitingen van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid. Dat is het gevolg van moderne inzichten over hoe musea publiek kunnen trekken. Deze omslag kan echter net zo goed te danken zijn aan het ontwerp. De architect ontwerpt naar eigen zeggen leegte als vormgevend, constituerend element. De leegte in dit gebouw roept een intense ervaring op. Zij het van een geheel andere orde dan de multimedia belevenis doet, dat is virtueel en verkiest decor boven architectuur. Of dat wordt opgemerkt is vers twee.

Het gebouw is verdiept aangelegd vanwege de maximaal toegestane hoogte. Het verdiepte deel is door de constantere temperatuur een logische plaats voor het depot en archief. Hier bevindt zich ook een ruimte waar bezoekers film- en geluidsfragmenten kunnen opvragen. Bovengronds liggen een zich getrapt verbredend museumblok (media-experience) en een kantorenblok. De genoemde boven- en ondergrondse delen bevinden zich aan weerszijden van de centrale leegte in het hart van het gebouw. Deze leegte strekt zich uit van de laagste keldervloer tot aan het dak. Alle ruimten hebben daardoor zicht op elkaar. Ook ontvangen ze allen daglicht via de glasgevels en via daklichten. De ondergrondse kloof en de bovengrondse vide zijn haaks op elkaar gesitueerd. Op de kruising bevindt zich een loopbrug. Vanaf deze brug is het gehele gebouw vanaf de diepste lagen tot aan de nok te overzien. Op de entreevloer tussen het archief- en het museumdeel bevindt zich een in terrassen aflopend restaurant. Een logische routing met brede trappen brengt bezoekers vanuit de entree naar boven, van filmzaal langs een ruimte voor tijdelijke tentoonstellingen tot aan de grote kolomvrije ruimte van de media-experience. De naar de centrale leegte gekeerde vloeren, wanden en trappen zijn overwegend bekleed met natuursteen. In het interieur van de blokken overheersen felle kleuren; chroma key blauw in het museum deel, oranjerood in de archieven en felgeel in de trappenhuizen.

Het bijna half in de grond verzonken gebouw is een ervaringsmachine. Het gebouw toont van buiten gesloten door ondoorzichtig, gekleurd glas, gevormd naar televisiebeelden. Binnen opent zich een magistrale ruimte, gekleurd alsof er licht door glas-in-lood valt. De architect: “Wij zijn 19e eeuwers zoals Cuypers. We maken iets dichts en laten daar licht doorheen komen”. Waar kleinere werkruimten aan de gekleurde glasgevel grenzen, komt het ondoorzichtige en gekleurde karakter mogelijk minder gelegen.

Het holle binnenste of de vide wordt in het midden betreden over de loopbrug. Onder opent zich een ravijn. Deze kloof sluit zich naar beneden, doordat de terrasgewijs toelopende wand de steile wand treft. Aan de ‘terrassen’ liggen de klantenruimten en de annexen van de depots en archieven, aan de steile zijde de archief- en depotruimten. De architect: “Het drukt de stilstand uit die bij een archief hoort, aardse, peilloze dieptes.” De wanden zijn bekleed met grondkleurig natuursteen. De ‘cave’ heeft het karakter van een onderaardse stad. Oranjerood gekleurd licht uit kozijnloze openingen draagt bij aan een bijzonder filmische ervaring.

Naar boven herhaalt zich deze canyon omgekeerd en een kwartslag gedraaid. Vergelijk het met de ruimte onder een enorm lessenaarsdak van 45 graden met een getrapte dakhelling. Museumvolumes kragen vervaarlijk uit boven het hoofd van de bezoeker. De rondleiding tijdens het ‘persmoment’ afgelopen vrijdag leverde een desoriënterende ‘omgekeerde’ ervaring op: Boven gaf de toelopende krocht een ondergrondse beleving en beneden waren de naar boven wijkende wanden verantwoordelijk voor een bovengronds gevoel.

In de centrale vide speelt de architect ‘een spel van spiegeling en transparanties.’ De wanden van het museumblok zijn bekleed met decoratieve grijze aluminium plaatjes die het binnenvallende licht reflecteren. De enigszins schuin weglopende glazen wand van het kantorendeel is voorzien van grote portretten van televisiecoryfeeën.

In het verlengde van de wens van Neutelings Riedijk om ‘knoestige, aardse gebouwen’ te maken, die zich als sculpturale iconen in de stad manifesteren, is de gevelbekleding of -decoratie een belangrijk thema. In het oorspronkelijke ontwerp had de architect een bont bebeelde gevel op het netvlies; een mozaïek van beelden uit de televisiegeschiedenis. De glazen huid is ingevuld door Studio Jaap Drupsteen in samenwerking met de architect, TNO en SGG (Saint Gobain Glass). Jaap Drupsteen wilde de televisiebeelden niet één op één vertalen om het karakter van een schreeuwerige kiosk te voorkomen. Vergelijk de virtuele ervaring van de media-experience die decor boven architectuur verkiest. Hier gebeurt het omgekeerde, de mediaman Drupsteen geeft zich rekenschap van de andere aard van architectuur. Hij kiest voor een monumentale uitstraling en neemt afstand van de vluchtigheid van het beeld. De contouren zijn in reliëf vertaald en de kleuren zijn versterkt en horizontaal vervaagd. Drupsteen wilde deze kleuren direct vanuit de computer printen waardoor een techniek als brandschilderen afviel. Folie was onvoldoende duurzaam en zeefdruk niet transparant genoeg. TNO Eindhoven heeft speciaal voor dit project een poederprinter ontwikkeld, vergelijkbaar met een inktjetprinter. Drie kleuren fijnglaskorrels trillen door gootjes met verschillende frequenties op het glas. De bepoederde glasplaten zijn op een zandbed met reliëf verhit, op een temperatuur waarbij het gekleurde glasfrit met de toplaag van het floatglas versmolt. Daarna is het glas gehard. De glaspanelen kunnen ten behoeve van onderhoud open draaien. De glasgevel is tijdens de vakbeurs Glasstec in Düsseldorf bekroond met de Glas Innovatie Award 2006 van de Glas Branche Organisatie.