Feature —

De ontordening van Nederland

Hans Teerds

Een beeld van het failliet van de Nederlandse planningstraditie of een vergezicht van nieuwe vrijheid en creativiteit in de ruimtelijke inrichting van het land? In het NAi is nog tot en met 25 januari de tentoonstelling Stad noch Land te zien.

In de bijbehorende catalogus wordt misschien wel de meest passende en poëtische omschrijving van het hedendaagse stadslandschap gegeven in een anonieme bewerking van het bekende gedicht van Hendrik Marsman. ‘Denkend aan Holland/zie ik brede autobanen/onstuitbaar door oneindig/steenland gaan.’ Weg zijn de brede rivieren, de ijle populieren, de boerderijen en kerken in hun grootsche verband, kortom het lieflijke Hollandse landschap van Marsman. Daarvoor in de plaats zijn de wegen gekomen, benzinepompen en garages, steden, loodsen, hekken en (gesloopte) fabrieken. Ofwel: tussenland.

Het Ruimtelijk Planbureau gebruikt de term ‘tussenland’ voor het eerst in een publicatie uit 2004, waarin de terreinen, die aan de aandacht van ontwerpers leken ontsnapt en waar de burger zelf de wereld naar eigen hand inrichtte, in kaart werden gebracht. Het bleek een veel autonomer fenomeen dan in eerste instantie werd aangenomen. In de tentoonstelling en catalogus komt het tussenland naar voren als die gebieden waar het gebrek aan overheidsregie op de inrichting van het land duidelijk wordt. Volgens Rainer Johann en Kersten Nabielek, medewerkers van het Planbureau, is dit een wereldwijd fenomeen, maar is het juist binnen de Nederlandse context opvallend. Wereldwijd geldt Nederland immers als voorbeeld van een planningstraditie waarin de overheid het voortouw neemt. Maar dat blijkt toch minder ‘rooskleurig’ dan we denken. De afgelopen jaren zijn er, vooral door de decentralisatie van verantwoordelijkheden en voornamelijk aan de randen van de steden, gebieden ontstaan waarin de overheidsregie faalt. Deze ‘rafelranden’ kennen een bepaalde mate van autonomie, waar de overheid weinig aan kan veranderen. Het is ideaal gebied voor pioniers die de niches opzoeken om hun diensten aan te bieden: de grondprijzen zijn er laag, de regels zijn minder rigide en de bereikbaarheid is goed. Bovendien krijgen ook projectontwikkelaars geen greep op deze randgebieden, aangezien het eigendom er sterk versnipperd is. Johann en Nabielek zien het ontstaan van dit tussenland als iets positiefs. Hier heeft de burger het weer voor het zeggen. De Nederlandse planningstraditie is volgens hen immers gebaseerd op de maakbaarheidgedachte, bedoeld om zowel aan de behoefte van de bewoners tegemoet te komen als ook de ruimte te beheersen. En dat betekent onherroepelijk dat de burger beperkt wordt in haar keuzevrijheid. In het tussenland heeft de burger het weer voor het zeggen, in plaats van de overheid en de projectontwikkelaars. Het staat volgens hen dan ook voor een creatief en ‘bottom up’ landschap.

In het boek en de tentoonstelling wordt nadrukkelijk geen positie ingenomen. De initiatiefnemers brengen vooral in kaart. Drie gebieden zijn uitputtend geanalyseerd: het landschap rondom Heerlen, Gilze Rijen en een gedeelte van de Haarlemmermeer. Daaruit blijkt inderdaad de vrijheid die het tussenland biedt. Toch voelt het ook wat ongemakkelijk aan. Geen stad noch platteland – het is het land van autosloperijen en autobedrijven, bouwmarkten, ateliers, tuincentra, maneges, villa’s en soms ook duistere praktijken, van hekken en bordjes ‘Hier waak ik!’. Herman Vuijsje is in zijn bijdrage bijzonder kritisch over dit landschap. Hij heeft er, in een rondgang om Amsterdam, zowel positieve als negatieve ervaringen opgedaan. Ruigoord laat iets zien van de geweldige mogelijkheden die het tussenland biedt, in tegenstelling tot andere gebieden, waar het recht van de sterkste heerst. De generalisering en positieve invulling ervan door het Planbureau typeert hij als ‘achterhaald postmodern cultuurrelativistisch’. Volgens hem zal het er juist om gaan onderscheid te durven maken, om gewenste en ongewenste vormen van tussenland te kunnen onderscheiden, om zoiets kostbaars als de schaarse ruimte in ons land niet te verspillen.

Dat standpunt zal meer overeenstemmen met de visie van Staatsbosbeheer, opvallend genoeg mede organisator van dit project. Staatsbosbeheer is vaak één van de spelers in de strijd om de rafelranden, in haar poging belangwekkende natuurgebieden met elkaar te verbinden en de strijd aan te gaan met de verdere ‘verrommeling van het landschap’. Kunsthistoricus Marcel van Ool, die namens Staatsbosbeheer betrokken was bij de totstandkoming van de tentoonstelling en de catalogus, ziet de ontwikkeling van het tussenland als de overwinning van het economische systeem op alle planvorming waarin gepoogd wordt de kwaliteit van het landschap vast te houden. Uiteindelijk wint degene met het meeste geld, of het plan dat in de toekomst het meeste geld zal genereren. Het open landschap en het boslandschap zullen in die strijd altijd het onderspit delven.

De meest intrigerende bijdrage in de bundel komt van journaliste Tracy Metz. Zij wijt de behoefte aan tussenland – door haar ‘ploabs’ genoemd: places left over after planning – aan de onduidelijkheid van regels, van wat mag en niet mag. Onduidelijkheid leidt tot meer regels in een poging de mazen van de wet te dichten. Regels die elkaar steeds vaker zullen tegenspreken en tegenwerken, wat uiteraard tot nog meer onduidelijkheid zal leiden. Maar deze restgebieden hebben altijd bestaan en zullen er ook altijd zijn. Dat moeten we accepteren, al kunnen we de vraag wel beïnvloeden. Hoe minder regels, hoe minder mensen op zoek gaan naar een uitlaatklep, naar een ‘tussenland’ waar ze hun eigen wereld kunnen creëren.