Feature —

Design voor kolen

Marina van den Bergen

Op ruim twee uur rijden van Rotterdam ligt het landschap- en cultuurpark Ruhrgebied, met Zollverein in Essen als beroemdste attractie. Met de oplevering van OMA’s Kohlenwäsche en SANAA’s Zollverein School begint zichtbaar te worden op welke wijze dit voormalige industrieterrein transformeert.

Nadat de stinkende en ongezonde mijnbouwindustrie in de jaren tachtig uit het Ruhrgebied verdween, bleef de regio achter met een zwaar vervuilde achtertuin en veel werkelozen. De Internationale Bauaustelling (IBA) Emscherpark die in 1989 startte, zette het gebied en de problematiek op de agenda. Doel was onder meer de gesloten en verontreinigde industrieterreinen te transformeren tot één landschapspark en de oude industriële gebouwen een nieuwe functie te geven. De IBA was een succes. Dat bleek eens te meer toen in 2001 Zollverein door de UNESCO op de werelderfgoedlijst werd geplaatst. Het terrein, de gebouwen en de machines staan nu op dezelfde lijst waar ook de Tai Mahal, de piramides van Giza, en de Alhambra in Granada op staan.

Dat Zollverein als werelderfgoed werd bestempeld, komt grotendeels vanwege het industriële complex behorende bij schacht XII. De opdrachtgevers van dit tussen 1927 en 1932 ontwikkelde complex, wilden een fabriek die uiterst rationeel functioneerde en waarvan de architectuur uitdrukking moest geven aan de productiekracht van de Duitse mijnbouwindustrie. De architecten Fritz Schupp en Martin Kremmer waren verantwoordelijk voor dit esthetische deel, maar waren ook betrokken bij het technisch-industriële ontwerp. Hierdoor kon een architectonisch en stedenbouwkundig ensemble ontstaan, waarmee Zollverein zich onderscheidt van de andere complexen in het Ruhrgebied. De gebouwen staan in een strak stedenbouwkundig kader waar gebruik is gemaakt van symmetrie en zichtassen. Alle gebouwen hebben een en hetzelfde constructieve principe toegepast: een staalskelet waarvoor een met bakstenen ingevulde stalenraster is geplaatst.

Architectonische schoonheid en cultuurhistorische waarde alleen is niet voldoende om op de werelderfgoedlijst te komen, een plan en visie over hoe het gebied zich moeten ontwikkelen zijn minstens zou belangrijk. OMA/Rem Koolhaas en Floris Alkemade werden in 2001 aangetrokken om een masterplan te maken voor het 100 hectare grote terrein.

Het masterplan gaat uit van 'as-found'; dat wat er is, wordt als uitgangspunt genomen om dit vervolgens te vervormen tot een nieuwe werkelijkheid. Zollverein was de motor van Essen. Om het deze functie weer te laten vervullen is er een centraal thema gekozen – design – en is veel programma toegevoegd, voornamelijk in de vorm van – nog te realiseren – kantoorruimten, tentoonstellingsruimten en congresfaciliteiten.

Een fysiek kenmerk van Zollverein was de muur die om het complex liep. De muur die grotendeels is verdwenen, wordt door OMA 'herbouwd' in de vorm van nieuwe toevoegingen. Alle nieuwe gebouwen worden aan de randen van het terrein opgetrokken en vormen hierdoor een scheiding tussen het historisch erfgoed en de arbeiderswijken die er omheen liggen. Tegelijkertijd heeft de locatiekeuze ook een pragmatische reden: de randen van het terrein zijn het minst vervuild. Belangrijk onderdeel van het masterplan is de herprogrammering van de infrastructuur van het complex. De sporen en luchtbruggen zijn aangewezen als belangrijkste openbare ruimten.

Een groot aantal van de gebouwen op het terrein zijn herbestemd tot tentoonstellingsruimten. Zo ook de in 1932 gebouwde Kohlenwäsche (het gebouw waar de kolen werden gewassen en gezeefd). In 2001 kreeg OMA de opdracht het gebouw geschikt te maken als huisvesting voor het Ruhrlandmuseum. Hierbij heeft het bureau nauw samengewerkt met Heinrich Böll (Böll und Krabel), die eerder betrokken was bij de transformatie van de Kokerei en het ketelhuis, beide op Zollverein.

Het grootste deel van het beschikbare budget is besteed aan het schoonmaken en restaureren van het gebouw. Toen de Kohlenwäsche werd gebouwd, was de verwachting dat de fabriek maximaal dertig jaar zou blijven staan. De combinatie van deze tijdelijkheid en de blootstelling van de staalconstructie aan water en koolgruis bleek desastreus. Het staal was zo ernstig aangetast dat nagenoeg de hele constructie vervangen moest worden, slecht 15% kon behouden blijven. Om het gebouw geschikt te maken als museum moesten de oorspronkelijke muren opgedikt worden. Na veel overleg stemde UNESCO uiteindelijk in met het voorstel de gevel 20 centimeter buiten de oorspronkelijke rooilijn te plaatsen zodat de constructie binnenin het gebouw volledig zichtbaar zou blijven. Een beetje geschiedvervalsing, maar de oplossing oogt oorspronkelijker dan het door Norman Foster verbouwde ketelhuis. In dit gebouw is het Red Dot Design museum gehuisvest. Foster koos ervoor de muren naar binnen op te dikken, hierdoor is de gevelconstructie slechts zichtbaar als strepen in een gladde witte stuclaag. Foster heeft gekozen voor een contrast tussen oud en nieuw. Toevoegingen als trappen, liften en insteekverdiepingen zijn gematerialiseerd in glas en glimmend RVS en duidelijk zichtbare nieuwe elementen in en aan het bestaande gebouw.

In tegenstelling tot Fosters methode, heeft OMA voor een radicaal andere benadering gekozen. De toevoegingen en ingrepen in de Kohlenwäsche zijn terughoudend en soms nauwelijks herkenbaar. Er is veel zwart staal toegepast, gaten in het beton vormen de verbinding tussen twee ruimten, muren zijn onbewerkt gelaten, en het nieuwe dakpaviljoen valt nauwelijks op. Voor spektakel zorgen de stijgpunten. Deze hebben oranje accenten gekregen, waarmee de beweging, het transport, wordt benadrukt. De op 24 meter hoogte gesitueerde centrale hal is te bereiken met een buiten het gebouw geplaatste roltrap. Hoewel de 56 meter lange de roltrap overduidelijk een nieuw element is, voegt de trap zich vanzelfsprekend in het systeem van buizen en transportbanden die van en naar het gebouw leiden. In het gebouw zelf is het centrale trappenhuis in de Rohkohle bunker geplaatst. Het trappenhuis heeft een peilloze donkere diepte en wordt slechts indirect aangelicht.

Het ontdekkingskarakter en het spannende in de Kohlenwäsche was tot voor kort ook kenmerkend voor Zollverein. Dat begint langzaam te verdwijnen, op het terrein zijn wegwijzers gekomen, dwars over de spoorlijnen zijn betonnen voetpaden aangelegd, lage tunneltjes zijn afgesloten, de wildernis van vlinder- en braamstruiken probeert men onder controle te krijgen. Totale controle kenmerkt ook de onlangs opgeleverde Zollverein School, ontworpen door het Japanse SANAA (Karuyo Sejima en Ryue Nishizawa). Als een monument van de nieuwe start van Zollverein staat het lichtgrijze kubusvormig gebouw naast de toegang van het terrein: schoon en transparant, een onderwijsinstelling voor management en design.

Persoonlijke favoriet blijft nog steeds de eveneens door Frits Schupp ontworpen Kokerei (de fabriek waar cokes werden geproduceerd). Deze tussen 1957 en 1961 gebouwde fabriek was een van de eerste gebouwen in Zollverein die voor het publiek werd opengesteld in het kader van de IBA Emscherpark. Heinrich Böll maakte een betoverende expositieruimte door de kolenbunkers met elkaar te verbinden door openingen in het beton te zagen en een sculpturale trap toe te voegen. De Kokerei is een beetje het verzamelpunt van de buurt. 's Zomers zwemmen kinderen in het zwembad; drinken volwassen bier aan picknicktafels en waren afgelopen zomer de verrichtingen van het Duitse elftal op een televisie te volgen.

Volgens het masterplan moet Zollverein in 2010 volledig getransformeerd zijn. In het noordelijke deel is Designstadt in aanbouw, met kantoor- en atelierruimten. Ook aan de west- en zuidzijde zullen kantoren komen, en evenwijdig aan de Kokerei, aan de rand van het terrein, staat een hotel gepland. OMA is niet meer betrokken bij de invulling en uitwerking van het masterplan. Voor de inrichting van de buitenruimte is Planergruppe Oberhausen (landschapsarchitectuur) samen met Licht Kunst Licht uit Bonn (verlichting), F1rstdesign uit Köln (communicatiedesign) en Observatorium, Rotterdam (kunst) verantwoordelijk.

De transformatie van Zollverein lijkt succesvol te verlopen: de parkeerplaatsen staan vol, bussen rijden af en aan, en overal lopen mensen met naambordjes. Gezien de vele rondleidingen over het complex wordt industrieel erfgoed gewaardeerd, en Essen is een park rijker. Misschien wordt Zollverein iets te netjes aangeharkt, wat hopelijk nooit verdwijnt is de indringende teerlucht die nog steeds rond de Kokerei hangt, een onzichtbare getuige van wat er eens was.