Opinie —

Het ontstaan van de Steenmees

Remco Daalder

Koolmezen die in steden leven zingen anders dan hun soortgenoten die in bossen leven. Omdat ze in de stad te maken hebben met fors achtergrondgeruis, zingen de stadsmezen duidelijk hoger. Zo komen ze boven het verkeerslawaai uit en kunnen elkaar van een afstand uitnodigen tot baltsgedrag of vechtpartij. Dit rapporteren de onderzoekers Henk Slabbekoorn en Ardie den Boer-Visser van de Leidse Universiteit in het laatste nummer van het vakblad Current Biology.

.

Het lijkt een onbenullig feitje. Hebben die Leidenaren daarvoor in alle Europese hoofdsteden met microfoontjes rondgelopen? Maar deze ontdekking duidt op iets merkwaardigs: het ontstaan van echte stadsdieren, optimaal aangepast aan het meest kunstmatige landschap ter wereld.

We wisten al eerder dat stadsdieren zich anders gedragen dan hun soortgenoten van het platteland. Meerkoeten en futen die in stadsgrachten leven broeden veel eerder in het jaar dan hun soortgenoten die een paar kilometer verderop tussen de boeren wonen. Ze broeden vaker achter elkaar, brengen soms wel drie legsels per jaar groot en beginnen op jongere leeftijd met broeden. De stad is voor hen blijkbaar een zo goede leefomgeving dat ze zich suf kunnen voortplanten. Er is eten genoeg, er is beschutting tegen wind en regen en in de winter kan het in de stad tot acht graden warmer zijn dan daarbuiten. Allemaal goede redenen om het stenen milieu te verkiezen boven de kille moerassen. Stadse futen en koeten blijven vaak ’s winters in hun grachten hangen, terwijl hun provinciale tegenhangers zich in grote, kleumende groepen verzamelen op het IJsselmeer of op zee.

Ook wisten we al dat het stadse leven dieren fysiek kan veranderen. Stadsmerels hebben dunnere snavels dan hun verwanten in de bossen, zodat ze makkelijker tussen stoeptegels kunnen poeren op zoek naar eten.

Maar hoeveel stadsfuten en stadsmerels ook verschillen van hun boeren-verwanten, ze zien elkaar wel als soortgenoten. Zoals een Amsterdammer kan paren met iemand uit Staphorst of met een Eskimo, zo kunnen merels uit het Amsterdamse Bos een vruchtbare verbintenis aangaan met een soortgenoot uit de grachtengordel.

Maar met die mezen zit het anders. Zangvogels herkennen hun soortgenoten aan de zang. Zodra de zang echt gaat verschillen, zien ze elkaar niet meer als mogelijke partners. Volgens de onderzoekers is het mogelijk dat bij de koolmezen een proces van soortsvorming aan de gang is. Deze beestjes zijn nogal honkvast. Als bosmezen en stadsmezen elkaar door de verschillende zang niet meer herkennen, dan ontstaan gescheiden populaties die steeds meer van elkaar gaan verschillen en waaruit uiteindelijk twee soorten ontstaan. De evolutie in volle kracht en vlak onder onze neus. Het is mogelijk dat we binnenkort de Steenmees en de Bosmees een eigen plek in de vogelgidsen moeten gaan geven.

De stad is inmiddels wereldwijd gezien zo’n omvangrijk en overheersend  landschapstype dat het geen wonder is dat allerlei dieren zich eraan aan gaan passen. Er ontstaat een urbane fauna (en flora) die niet minder waardevol is dan de natuur van het platteland. In de huidige stedenbouw proberen we bij de groeninrichting steevast met ecologische verbindingen de natuur de stad in te trekken. Maar die natuur bepaalt zelf wel wat ze wil. Misschien biedt het meer perspectief om de typisch urbane soorten te ondersteunen. Door de inbouw van nestkasten of het spelen met holtes in gebouwen krijgen vleermuizen en stadsvogels als de mezen en gierzwaluwen nog meer kansen. Voor dat soort werk zijn inmiddels diverse receptenboeken voorhanden. Dat geeft waarschijnlijk meer resultaat, meer leven in de stad, dan krampachtige pogingen om schuwe dieren als ringslang of hermelijn de stad in te lokken. Die worden daar echt niet gelukkiger van.