Opinie —

Naar een toekomstgerichte belvedere

Ruud Brouwers

Zodra een bemoeienis van de zijlijn aan de stedenbouwkunde wordt opgelegd, geïnstitutionaliseerd raakt en een rituele vorm meekrijgt, dan stapelen de misverstanden zich op, stelt Ruud Brouwers. Met Zoetermeer als voorbeeld van behoudzucht, pleit hij voor een belvederebeleid dat uitgaat van de optimistische dadendrang van vroeger eerder dan van overleefde vormen.

1 galerijflats Dunantstraat naar ontwerp van J.P. van Eesteren. ‘De flats zijn met hun fraaie ritmiek van doorlopende balkonhekken imponerende verschijningen in de wijk Driemanspolder.’
2 ‘De koepelwoningen van architect Benno Stegeman uit 1972-1973 in Meerzicht vormen met recht een architectonisch visitekaartje van Zoetermeer.’ bron website gemeente Zoetermeer.

Geen stad of het is een weerspiegeling van tijdperken, van tradities of van breuken daarmee. Elke nederzetting is daarmee een openluchtmuseum van de stedenbouw, ook Zoetermeer. In de tweede helft van de jongste jaren zestig kwam de bouwproductie van deze Zuid-Hollandse new town op gang. De stad heeft dan ook een eenzijdige collectie met vooral galerijflats en bloemkoolwijken, de bundelingen van buurten aan doodlopende krinkelstraten. In deze eenzijdigheid schuilt een dilemma. Om een grotere diversiteit te bereiken is slopen van gebouwen onvermijdelijk, maar dat tast het specifieke karakter van Zoetermeer aan. Aan de andere kant, koesteren en conserveren levert leegstand op en daarmee verloedering.

Wie in de bibliotheek van het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) de mappen doorneemt met knipsels over Zoetermeer raakt overdonderd door het aantal eerste palen. Telkens is met versterkt geloof in het heil dat de toekomst zal brengen een nieuwe eerste paal geslagen. Dat was het geval toen burgemeester H.G.I. Baron van Tuyl van Serooskerken op 6 september 1968 de eerste paal sloeg voor drie galerijflats van twintig hoog. En dat was nog steeds het geval toen op 17 mei 2000 burgemeester Luigi van Leeuwen de eerste paal sloeg voor het kantoorvillapark Forum Fontanus in de wijk Rokkeveen. Kijken we naar de architectuur van deze werken dan valt op dat de jongste gebouwen sterker naar pre-Zoetermeriaanse tijdperken verwijzen dan die uit de jaren zestig. Het vertrouwen in de toekomst is tanend.

In een oude uitgave van de gemeente staat met enige jubel dat op 16 mei 1967 de huissleutel is uitgereikt aan het eerste Haagse gezin dat in Zoetermeer komt wonen. Daarnaast volgt de mededeling dat de maquette die het Zoetermeer van de toekomst weergeeft na telefonische afspraak in het gemeentehuis bekeken kan worden. Toen konden de bewoners naar de toekomst kijken, nu kunnen ze op de site van de gemeente terugkijken naar de kenmerken van de stad Zoetermeer. Een stijlencatalogus omvat ondermeer: massawoningbouw 1960-1970, kleinschaligheid 1970-1985, neorationalisme 1980-1995, neomodernisme 1985-heden, postmodernisme & consumentisme 1985-heden. Deze catalogus is een van de pijlers onder het welstandsbeleid. Hoewel in woord ruimte geboden wordt aan experimentele woningbouw levert dat voor de beoordeling van nieuwe bouwinitiatieven in bijvoorbeeld de wijk Meerzicht richtlijnen op als: achtertuinen naar de straat gekeerd, complexe hoofdvormen, auto uit het straatbeeld (woondekken). Dat betekent dat letterlijk aangesloten moet worden bij het bestaande. Door wat voor oorzaak is de blik niet voorwaarts gericht?

Een groot schip kan als metafoor dienen voor de wereld van de stedenbouw. Aan boord zijn beleggers, ontwikkelaars, corporaties, gemeentelijke diensten, verschillende soorten ontwerpers en vertegenwoordigers van het openbare bestuur. Van tijd tot tijd wordt het schip geënterd, dan dringen kapers binnen die een plaats opeisen. Toen de stadsvernieuwing op de agenda stond waren dat de bewoners van de buurten die afgebroken zouden worden. In die periode hebben ook vertegenwoordigers van de gedragwetenschappen de touwladder gegrepen om aan boord te klauteren. Wat later lieten ook omgevingskunstenaars zich gelden. Thans klimmen alweer enige tijd cultuurhistorici tegen de romp omhoog. Onder de vlag van het cultuurbeleid van de rijksoverheid strijken zij neer op de plaatsen die door vertrek van vorige generaties kapers zijn vrijgekomen. Dat zij aandacht vragen voor de geschiedenis is mooi, maar dat moet niet uitmonden in ondoordachte gevolgtrekkingen die tot verstarring voeren.

Gedragswetenschappen, beeldende kunsten, geschiedkunde zijn vakgebieden die zonder twijfel een impuls aan de beoefening van de stedenbouwkunde kunnen geven. Maar zodra een bemoeienis van de zijlijn aan de stedenbouwkunde wordt opgelegd, geïnstitutionaliseerd raakt en een rituele vorm meekrijgt, dan stapelen de misverstanden zich op. Een archeoloog kan belangrijke gegevens aanreiken voor een stedenbouwkundig plan, maar is geen stedenbouwkundige ontwerper. Voor een architectuurhistoricus geldt hetzelfde. Toch wordt in het overheidsbeleid over de cultuurhistorie gesproken als een instrument dat gelijk staat aan de ontwerper, zo niet de plaats inneemt van de ontwerper.

Met de Nota Belvedere van staatssecretaris voor Cultuur Rick van der Ploeg werd in 1999 naast planologie culturele planologie geïntroduceerd, die uitzicht bood op een mooie toekomst. Deze benadering staat gedefinieerd als: de strategie waarin de cultuurgeschiedenis expliciet wordt betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen en planvormingsprocessen. Het doel is tweeledig: verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en behoud van cultureel erfgoed. Nederland mag niet tot eenheidsworst vervallen, de verschillende landsdelen en steden moeten herkenbaar blijven. Dit belvederebeleid vond weerklank, ondanks bezwaren tegen de term culturele planologie, die suggereert dat gewone planologie waarmee het land gestalte heeft gekregen niet tot onze cultuur zou behoren en dat naast economie ook nog zoiets als culturele economie zou kunnen bestaan. De geesten bleken er rijp voor. Een halve eeuw niet aflatende bouwproductie heeft voor een cultuurschok gezorgd, voor een gevoel van verstikking ook, waaraan iedereen wil ontsnappen.

Nog geen vijf jaar later verschijnt de Nota Ruimte over de ruimtelijke indeling van Nederland. Op deze nota geënt brengen zeven ministers het belvederebeleid en het architectuurbeleid onder één noemer. Met deze stap wordt de architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur op één lijn gesteld met wat niet meer is dan een inspiratiebron, ook niet minder trouwens. In het Actieprogramma Ruimte en Cultuur 2005-2008 heten de bewindslieden zich te richten op culturele waarden met als doel de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van onze gebouwen, dorpen, steden en landschappen. Er wordt niet gerept van de betekenis van ontwerpen, die behalve historische ook nieuwe oriëntaties in zich dragen. Doel en middelen worden onontwarbaar door elkaar gehaald. Deze troebele situatie voert tot de van zelfoverschatting getuigende neiging onder historici om het roer in de stedenbouwkunde in handen te nemen. Uit cultuurhistorische analyses of verkenningen van naoorlogse uitbreidingswijken, die overal in het land door geschiedkundigen worden gemaakt, stijgt een geur van behouden en respecteren op.

Ondanks het gegeven dat de cultuurhistorische waarden en de ontwerpende disciplines zijn gelijkgeschakeld en cultuurhistorici bij de stedenbouwkunde aan boord zijn geholpen, kan iedereen die naar de feiten kijkt weten dat de verschijningsvorm van de meeste naoorlogse uitbreidingswijken aanzienlijk zal veranderen. De actuele werkelijkheid wordt getekend door technologiesering en individualisering met andere behoeftepatronen en daarbij passende gedragingen. Deze werkelijkheid strookt niet met een streven naar behoud en conservering. Andere behoeften, grootschalige netwerkoriëntaties, druk op het ruimtegebruik wat leidt tot verdichting en dubbel grondgebruik en functieveranderingen van gebouwen zullen in de naoorlogse uitbreidingswijken een nieuwe schokgolf van bouwactiviteiten laten zien. Voor duizend woningen van zestig tot tachtig vierkante meter komen achthonderd woningen van gemiddeld honderd vijfentwintig vierkante meter terug met een gebouwde parkeerruimte voor veertien honderd auto’s. Dat betekent een verdubbeling van het gebouwde vloeroppervlak voor evenveel bewoners als voorheen. Voorts zal door het aantal grondgebonden woningen de gemiddelde bouwhoogte lager zijn dan voorheen, ondanks wat torens hier en daar.

Over cultuurgeschiedenis gesproken, er is ook nog het Zoetermeer dat nooit gebouwd is. Mooie plannen en goede voornemens die nooit tot uitvoering zijn gebracht. Ze zouden opgegraven moeten worden om als bron van inspiratie te dienen voor wat Zoetermeer alsnog kan worden. Toen liberaal Elbert Jenné na twee en twintig jaar wethouderschap in het jaar 2000 met pensioen ging liet hij wijzend naar rijtjeswoningen in de wijk De Leyens in Cobouw (27.06.2000) aantekenen: ‘Er hadden een heleboel kreken moeten komen met veel meer vrijstaande huizen. Dit is een compromis. Achteraf gezien hadden we de wijk op de tekentafels moeten laten liggen tot de markt zou aantrekken. Maar we moesten toch productie maken. Voor de bouw natuurlijk een geluk, want die had ten minste werk.’ Bijna tien jaar eerder mocht prof.ir. S.J. van Embden, een van de ontwerpers van Zoetermeer, in de Haagse Courant (22.02.1991) nog eens uitleggen wat aanvankelijk de bedoeling was. Hij noemde de aanleg van de spoorlijn door de stad “een grote politieke vergissing” die onder drang van de NS genomen is. Dat had een sneltram moeten zijn met minder barrières in de stad. In het Zoetermeer zoals het had kunnen zijn ligt voor cultuurhistorici een toekomst verscholen. Dit hoofdstuk mag als bestanddeel van de inspiratiebron niet worden overgeslagen.

Intussen, voor alle veranderingen uit, is Zoetermeer een bezoek waard. Het centrum vormt het hoogtepunt van de collectie Zoetermeer, met onderin duistere spelonken voor verkeer, vervoer, parkeren en boven onoverdekte winkelstraten. Op de winkels zijn kleine kantoren en woningen gebouwd die aan hoven aan de achterzijde de voordeuren hebben. De brandweerkazerne en het politiebureau uit 1978 van architect Frans de Man van Gemeentebedrijven Zoetermeer zijn met hun merkwaardige dakvormen en gevelindelingen op een grove manier kleinschalig. Op nog geen honderd meter daar vandaan staat Spazio, de jongste uitbreiding van het centrum bij het nieuwe spoorweg-busstation Centrum West. Vier woontorens rijzen strak omhoog op de hoeken van een carré waar zich een winkelstraat doorheen slingert met in de lucht de vliegende schotel van een fitnessclub. Met een ingetogen materiaaltoepassing die samenvalt met de detaillering toont architect Frits van Dongen van de Architekten Cie zich de meester van het hedendaagse comfortabel modernisme. Zwierige schakels verbinden Spazio met een ouder deel van het centrum, waarvan opeens het blote beton en de grove details nog meer in het oog vallen. Eenmaal toch in Zoetermeer ligt een kleine bedevaart naar de woningen met de oranje koepeltjes en de tuinen zonder schuttingen van architect Benno Stegeman uit 1974 voor de hand, in de wijk Meerzicht, de landenbuurt. De jaren zeventig hebben ook schoonheid opgeleverd. Het Centrum voor Kunst en Cultuur van architect Mart van Schijndel van omstreeks de eeuwwisseling mag evenmin overgeslagen worden, te voet op nog geen tien minuten afstand van het stadhuis. Zoetermeer bezint zich op het eigen karakter, maar dom genoeg is een goede architectuurgids niet voorhanden. Vandaar deze tips voor een excursie naar oudere en recente kroonjuwelen waarin meer toekomstmuziek zit dan in een behoudzuchtige interpretatie van belvedere.