Feature —

Nieuwjaarsduik in zwemparadijs

JaapJan Berg

Terwijl we dit jaar op 1 januari helaas grotendeels verschoond bleven van beelden van kleumende, maar trotse pootjesbaders met felgekleurde, oer-Hollandse mutsen van ’s lands bekendste worstenfabrikant op hun afwisselend strakgetrokken of euforische koppen, testte ArchiNed twee nieuwe hoofdstedelijke zwemparadijzen.

Goed nieuws: de tijd dat zwemmen in een binnenbad gelijk stond aan het betreden van een ongezellige, witbetegelde en met veel kindergeschreeuw gevulde ruimte die naar een mix van chloor en goedkope deodorants ruikt, laten we geleidelijk achter ons. Het einde van miezerige legionella-douches met verstopte putjes, naargeestig tl-licht en kleine, zweterige kleedhokjes lijkt in zicht. Een nieuwe generatie zwembaden doet zijn intrede. En die lijkt korte metten te willen maken met de bestaande vooroordelen over binnenbaden. Niet langer zijn het per definitie instellingen voor grote, non-descripte massa’s die vrijwel constant in het nieuws zijn vanwege exploitatietekorten of muitende jongeren. Niet langer ook staat zwemmen per definitie gelijk aan het van een claustrofobische glijbaan afdalen temidden van neppalmen, onder het oog van een publiek dat zichtbaar de wens, maar niet het geld heeft om naar tropische oorden af te reizen. Nee, in plaats van al deze ‘ellende’ verrijzen steeds vaker gebouwen die klasse, relatieve exclusiviteit, smaak en vooral gezondheid uitstralen. En belangrijker, steeds vaker worden architecten van naam gevraagd om ze te ontwerpen.

Twee recent geopende zwembaden in Amsterdam bevestigen die trend. Het ene is het Marnix Sportcentrum aan de Singelgracht, grenzend aan de Jordaan, van de hand van Mecanoo. Het andere is het Sportplaza Mercator aan de rand van het Rembrandtpark, vlak aan de Ringweg in stadsdeel De Baarsjes. Dit laatste bad is gebouwd op de locatie van het voormalige Jan van Galenbad dat in 2003 werd gesloopt. Ook het nieuwe Marnixbad vervangt overigens een ouder bad dat in 1955 op dezelfde plek verrees.

Het Marnix heeft het meeste recht zich, gezien zijn centrale locatie, te beroepen op de titel ‘stadsbad’. Eigenlijk is in beide gevallen niet langer sprake van een instelling die zich uitsluitend richt op zwemmen. De beide toevoegingen, respectievelijk ‘sportcentrum’ en ‘sportplaza’, spreken wat dat betreft boekdelen. Beide baden herbergen een keur aan (neven)functies. Zo beschikt het Marnix, naast een vijfentwintig meter wedstrijdbad en een zogenaamd doelgroepenbad, over een sporthal, een fitness/aerobicruimte, en een hip café met terras. Het Mercator kan zelfs pronken met een wedstrijd-, therapie-, doelgroepen- en buitenbad, fitnessclub, badhuis (sauna en stoombad), café-restaurant, feestzaal, kinderopvang én een fastfood vestiging waar je vooral kip kunt eten. Hoewel de mix van functies natuurlijk allereerst voortkomt uit de wens het exploitatierisico te minimaliseren, het volgen van obligate marktanalyses en de algemene trend om het nuttige en het aangename te combineren, de notoire ‘zwemmer’ is vanaf heden bij voorbaat verdacht. Zwemmen kan in dit soort sportcomplexen namelijk ook staan voor een partijtje kickboxen, een therapeutische drijfsessie, discodansen, bartijgeren of gewoon ordinair snacken.

Als het aan de betrokken architecten ligt zal een zelfbewust en kritisch publiek weer met plezier gaan zwemmen. Beide baden ademen – weliswaar op uiteenlopende wijze – luxe, comfort en ontspanning. Zowel Mecanoo als Venhoeven hebben doordachte en intrigerende multifunctionele en vooral mooie gebouwen gerealiseerd, die hun kracht ontlenen aan een spel met luxe materialen, transparantie, niveauverschillen en een specifieke relatie met de directe omgeving. In niets doen de gebouwen vermoeden dat ze gemaakt zijn om veel en grote groepen zwemmers te bedienen. Eigenlijk doen ze nog het meest denken aan uit de kluiten gewassen ‘healthclubs’. Beiden kenmerken zich door het gebruik van veel natuursteen, glas en ingenieuze plattegronden. Zowel het Marnix als Mercator proberen daarbij met transparante gevels het plezier en de ontspanning van het zwemmen naar buiten toe zichtbaar te maken en daarmee ook te ‘verkopen’. Tegelijkertijd behouden de zwemmers zo het contact met hun geliefde urbane leef- en werkomgeving. Bij het Marnix sluit de achtergevel direct aan bij de naastgelegen Singelgracht waardoor de indruk van een doorlopende waterpartij van bad naar gracht ontstaat. Het Mercator beschikt juist over een transparant voorgevel die letterlijk als een etalageruit werkt.

De grootste verschillen tussen beide baden komen voort uit de verschillende kavelgroottes en een aantal specifieke stijlkeuzes. Het Mercator is inmiddels ‘beroemd’ om zijn unieke, begroeide, licht hellende gevels en daken. Het ‘Wonderwall’-systeem van Copijn Landschapsarchitecten moet er volgens betrokkenen toe leiden dat het gebouw na verloop van tijd zal opgaan in de omgeving. Of dat zal lukken valt te betwijfelen, maar het is ondertussen wel een mooie eyecatcher. Venhoeven is er daarbij, mede geholpen door de beschikbare ruimte, beter in geslaagd om een gebouw met veel ruimte en lucht te realiseren. Het nieuwe Marnix daarentegen, met zijn strenge doosvorm, kan letterlijk en figuurlijk geen kant op en er overheerst dan ook een constant bewustzijn van compactheid en een stapeling van functies.

Ondanks al deze upgrading, multifunctionele weelde en verbijzondering van de toch redelijk autistische activiteit van het baantjes trekken, blijkt bij beide baden één element uit de vorige generatie zwembaden opvallend weerbarstig te zijn. Ondanks alle zichtbare vrijheden en toch aanzienlijke budgetten presteren beide ontwerpers het nog steeds de bezoekers tijdelijk op te sluiten in onbegrijpelijk kleine en gestandaardiseerde, zweterige kleedhokjes. De beoogde soepele en comfortabele transformatie van goed geklede stedeling naar gezonde en schaars geklede sporter en vice versa loopt daardoor onherstelbaar averij op.