Opinie —

Aan de minister-president

Bjarne Mastenbroek

In de serie brieven aan de toekomstige ministers richt Bjarne Mastenbroek zich tot de minister-president. Hij pleit voor hypermoderne, machtige publieke lichamen op afstand van politiek en markt, die de ruimtelijke ordening opnieuw ter hand nemen.

Geachte minister-president,

Het Nederlandse landschap is een onvoorstelbaar mooi palimpsest. Vele eeuwen menselijk ingrijpen en natuurlijke processen hebben subtiele verschillen opgeleverd. Dit is tegelijkertijd haar grote zwakte. Het is vlak, transparant, weids en daardoor kwetsbaar. Elke ingreep in dit landschap laat duidelijke sporen na, en is zichtbaar vanaf grote afstand. Een zich ‘terugtrekkende overheid’ heeft helaas desastreuze gevolgen gehad die zich nu openbaren. Gebeurde dit onder druk van een oprukkende markt of was het een vrijwillige overgave, waarbij de markt het ontstane vacuüm slechts opvulde? Uw voornemen tot ‘meer overheid en minder markt’ doet mij daarom deugd want ‘de markt’ wandelde de afgelopen jaren als een olifant door de porseleinkast die Nederland heet.

De mondige woonconsument wil zelf bepalen hoe zijn gebouwde omgeving eruit zal gaan zien. Maar wat goed lijkt voor het individu, kan – met 16 miljoen vermenigvuldigd – in ons eigen gezicht ontploffen. Het is helaas geen onderwerp van debat of het honoreren van individuele woonwensen een passend antwoord is op de forse problemen die we in Nederland (gaan) ervaren; het in razend tempo volbouwen van het open landschap of de milieu-, fijnstof-, licht-, geluid- en automobiliteitsproblematiek. De hightech internet woning, verpakt in een grachtenpand op het Brabantse platteland, of een dorp in Minang Kabau stijl in de Almeerse polder inclusief Sate-hut, zijn niet bedacht als oplossing voor dit probleem.

Het individu eist in toenemende mate een grondgebonden woning, terwijl de lange termijn statistieken bewijzen dat de maatschappij er verstandiger aan doet het tegenovergestelde te maken. Als we weer willen houden van Nederland, zoals Bas Heijne onlangs in NRC Handelsblad stelde, kunnen en moeten we niet toegeven aan deze wens. Het ontwikkelen van alternatieve woontypologieën waarbij wonen in hogere dichtheden een beter antwoord geeft op het huis met de tuin van postzegelformaat is van het grootste belang. Werd de dagelijkse file maar vermeld in de verkoopfolder van de randstedelijke woning. Nu krijgt men deze er gratis bij.

Daarnaast hebben we te maken met de ontwikkelaars, de corporaties, de grote bouwbedrijven en een stortvloed aan adviseurs. Nu het tij onder druk van het grote publiek zo snel aan het keren is, beginnen alle partijen in het bouwproces in paniek om zich heen te slaan. Aannemers en onderaannemers vertrouwen niet meer op elkaar. Het gevolg is dat de prijzen al jaren gevaarlijk schommelen. Elke ontwikkelaar die kwaliteit maakt, wordt direct ‘uit de markt gedrukt’. Corporaties komen niet aan hun kerntaken toe.

Adviseurs en architecten verdedigen steeds feller het steeds kleinere partje dat er van het werk overblijft. Door deze versnippering wil geen enkele partij nog verantwoordelijk zijn voor het gehele project waar hij aan werkt. Het blijkt dat de bouwwereld een te precair kaartenhuis is dat in elkaar dreigt te storten. De grote aannemers willen vooral door, niemand durft als eerste te bewegen. Extrapoleren we het huidige bouwtempo van te goedkoop in elkaar gezette constructies, dan wacht ons binnen 25 jaar een nachtmerriescenario.

Wat dat betreft staan het Bos en Lommer Plein en het Stadshart Almere debacle niet op zichzelf en verwacht ik dat er veel meer zullen volgen. Geen enkele bouwdienstambtenaar (en geen enkele architect) is opgewassen tegen de machtsconcentratie in de bouw die nu bij snel claimende, aannemers/ontwikkelaars ligt. Niet voor niets werd Elco Brinkman, als voorzitter van Bouwend Nederland, tot de invloedrijkste man van Nederland uitgeroepen in een netwerkanalyse van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

In een aantal openbare brieven uitte u uw teleurstelling over het gebrek aan visie van de Nederlandse intelligentsia. Er zouden geen mensen meer zijn met grootse ideeën en oplossingen voor de problemen van deze tijd.

Het heeft niets te maken met ‘gebrek aan visie’, maar met de complexiteit en omvang van de problemen waar we mee worstelen. Je hebt publieke lichamen nodig die het mandaat krijgen om hieraan te werken. Voor de ruimtelijke ordening van Nederland dienen deze groot, hypermodern ingericht en machtig te zijn. Ze staan op afstand van politiek en markt. Je zult dan ook beslissingen moeten accepteren die ons misschien niet (allemaal) welgevallig zijn. Alleen ver van de waan van de dag bouw je de Deltawerken, hou je de polders droog en het landschap op orde.

De laatste architectuurbiënnale in Venetië was een oproep aan architecten om de ontwikkeling van miljoenensteden serieus ter hand te nemen. ‘Zij kunnen ruimtes en steden creëren die democratie, gerechtigheid, duurzaamheid, tolerantie en goede bestuurbaarheid genereren’, aldus de curator Richard Burdett. Recensente Machteld van Hulten stelt in de Volkskrant van 14 september: ‘de architect die (….) nog denkt dat hij kan wegkomen met een mooi gebouw alleen, behoort tot het uitstervende ras.’

In Nederland hadden we een prachtige traditie opgebouwd en werd op integrale en serieuze wijze gewerkt. Wat dit betreft, vraag het aan een willekeurige buitenlander, behoorden we tot de beste van de klas. Dit beleid is in hoog tempo afgebroken en we maken er nu een puinhoop van.

Architecten wordt in toenemende mate gevraagd een gebouw te ontwerpen dat economisch, bouwtechnisch, constructief, zelfs schematisch, al bedacht is. In arrenmoede maken ze zich medeplichtig aan de ontgrendeling en versnippering van de samenleving. Hoewel in de verkoopadvertenties wordt geopperd dat ook niet-Indonesische mensen worden uitgenodigd in het Minang Kabau dorp te komen wonen; als prototype van een utopische, pluriforme samenleving slaat het de plank mis. De recente geschiedenis heeft aangetoond dat polarisatie, ook en vooral in de openbare ruimte, deze utopie juist geen dienst bewijst. Maar de architect als decorbouwer komt hier prima weg met niet meer dan het maken van een ‘mooi gebouw’. Meer ambitie is zelfs bedreigend en wordt gezien als het hebben van kapsones.

De kans dat uw teleurstelling over het gebrek aan intelligentie door architecten wordt weggenomen, is dus kleiner dan ooit. Een aantal maanden geleden werd Minister Dekker een boekje aangeboden met daarin de oproep van een groep ontwikkelaars, corporatiedirecteuren en bouwers dat het Rijk de regie weer ter hand neemt om de ‘verrommeling’ van het landschap tegen te gaan. Een moedige daad die een vrijwillige, directe inperking van hun eigen (commerciële) vrijheid betekende. De Minister was niet onder de indruk en stuurde hen heen met de opmerking dat de markt het wel aankan. Diezelfde markt stond nota bene tegenover haar en beweerde juist van niet!

Hoe kunnen we een wezenlijke bijdrage leveren aan het debat als de sturing van bovenaf verschrompelt? Het Stimuleringsfonds voor Architectuur heeft jaarlijks slechts een paar miljoen euro te besteden die ze moet lospeuteren bij drie verschillende ministeries terwijl er vijftig miljard euro (!) in de bouw omgaat.

Ben ik als architect opgewassen tegen de steeds merkwaardiger eisen die men stelt en ga ik voor het bedenken van oplossingen voor wezenlijke problemen of moet ik ook ‘om’? Blijkbaar hebben invloed en geld toch iets met elkaar te maken.