Opinie —

Aan de minister voor het Grotestedenbeleid

Gideon Boie en Matthias Pauwels

ArchiNed publiceert de komende weken een serie brieven met adviezen aan de nieuwe ministers. BAVO opent de reeks en adviseert de minister voor het Grotestedenbeleid om het uitsluiten van ‘oncreatieve’ of ‘niet-zelfredzame’ groepen als een historische misser te beschouwen.

Geachte Minister,

Aan het begin van deze nieuwe kabinetsperiode willen wij, als onderzoekers naar de politieke dimensie van stedelijke ontwikkelingen, U ter overdenking enkele vaststellingen en adviezen aanbieden.

Het kan U niet ontgaan zijn dat met de recente Grote Verbouwing een heuse strijd is losgebarsten tussen steden in Nederland, en dan vooral de grote steden, voor het behalen van de beste jaarresultaten. Vanuit onze dagelijkse praktijk, hebben wij moeten vaststellen dat deze onderlinge concurrentieslag, de stad in een interne crisis heeft gestort. Jazeker, de Nederlandse stad ligt met zichzelf in de knoop: terwijl zij enerzijds stevig inzet om voorop te blijven op naburige steden en andere concurrenten, en er niet voor terugschrikt om aanzienlijke offers te eisen, is zij tegelijk bedacht op mogelijke sociale drama’s en is zij druk in de weer om ‘de boel bij elkaar te houden’. De vergelijking met het beleid van de laatste kabinetsperiodes is hierbij snel gemaakt. We denken dan aan de jarenlange inzet van de minister-president, Jan-Peter Balkenende, voor enerzijds de herinvoering van een onverbiddelijke ondernemersgeest – met als recente toppunt, of dieptepunt, zijn pleidooi voor een terugkeer naar de goede oude VOC-mentaliteit – en anderzijds het herstel van de traditionele Nederlandse normen en waarden.

Al kon de minister-president niet snel genoeg publiekelijk afstand nemen van de weerzinwekkende exploitatietechnieken waaraan de VOC zich in de overzeese gebieden heeft bezondigd, vragen we ons af waar de VOC mentaliteit ‘nieuwe stijl’ dan wél goed voor is, als niet voor een heroriëntatie van de kolonisatiedrift ten aanzien van het eigen grondgebied. Inderdaad, het is ontegensprekelijk dat de stad vandaag neergezet wordt als een kapitaalbron – economisch, sociaal, menselijk – die maximaal moet worden afgetapt. Vervolgens kunnen we waarnemen hoe ganse bevolkingsgroepen ontzet worden uit hun vertrouwde habitat en nieuwe groepen geïmporteerd worden met het oog op hun ondernemingszin, creatief genie, voorbeeldfunctie en wat dies meer zij. In naam van de competitieve weerbaarheid, worden zo sociaal hechte stedelijke buurtnetwerken ontmanteld en kwetsbare bevolkingsgroepen een onzekere woonmarkt opgejaagd.

We dringen er bij U op aan, geachte Minister, om deze wanpraktijken ondubbelzinnig te veroordelen als een historische misser en elke openbare belijdenis van de ondernemende, creatieve stad als een vorm van negationisme te bestraffen.

Zo gebeurt het vaak dat steden hun sociale en politieke opgave opvatten in termen van het stevig in de markt zetten van hun stedelijke product, het stimuleren van stedelijk ondernemersschap, het voorzien in exclusieve woonmilieu’s, enzovoorts… omdat dit alles de gewone man ten goede komt. De hardnekkigheid waarmee grote groepen van de stedelijke bevolking niettemin voelen dat zij er niet meer bij horen, spreekt dit marktoptimisme tegen. Het afdoen van deze sentimenten als populistisch en dijkenmentaliteit, is te eenvoudig. Het maakt hen nog meer tot een gemakkelijk slachtoffer van een ruimtelijke politiek die naar eigen zeggen tegemoet komt aan de belangen van de gewone man, doch vooral diens ongenoegen maximaal uitnut om flink de sloophamer te zetten in hun woonbuurt.

Het lanceren van tegenslogans zoals ‘de stad is van iedereen’ is evenzeer weinig effectief. Dergelijke democratische frasen worden door de Nederlandse steden juist gemobiliseerd om een exclusief woon- en vestigingsbeleid te voeren gericht op midden- en hoge inkomensgroepen aangevuld met creatieve groepen. Het zijn immers deze laatste groepen die zich vandaag, op volstrekt misplaatste wijze, opwerpen als de voornaamste slachtoffers van een stedelijke politiek die, aldus hen, in het verleden teveel was gericht op de gewone man of probleemgevallen.

Wij staan sceptisch tegenover elke invulling van het democratische gedachtegoed in termen van het idee dat ‘wij, allemaal samen’ de rijkdom van de Nederlandse stad maken. Het lijkt ondertussen voor iedereen duidelijk dat voor de mooie woonwerkoases die een nieuwe stedelijke elite moet aantrekken, een hoge prijs wordt betaald. Als een democratische stedelijke politiek in deze context nog iets wil betekenen dan moet het insluiten van deze stedelijke groepen die al enkele jaren gebrandmerkt worden als ‘oncreatief’ en ‘niet zelfredzaam’, en om die reden verdrongen worden naar de marges van de stad, opnieuw het uitgangspunt worden van het stedelijke beleid. Als de Nederlandse steden hierdoor enkele punten zakken op de globale schaal van steden – het zij zo.

Geachte Minister, we eindigen met de wens en de verwachting dat u de gemeentelijke overheden zal stimuleren het publieke belang te laten primeren boven hun overmatige fixatie op het veroveren van een vaste stek in het stedelijke kampioenenbal. We vertrouwen erop dat deze opdracht bij u in goede handen is, gezien de uitzonderlijke bevoegdheid van het Grote Stedenbeleid om los van de traditionele ministeries te opereren. In onze rol van geëngageerde waarnemer, zullen wij de verdere ontwikkelingen met grote aandacht volgen.

We danken u hartelijk voor uw aandacht,

Met hoogachting,