Recensie —

Concertfabrieken

Jan Vollaard

Onlangs verscheen bij NAi Uitgevers Hey Ho Let’s Go, een inventarisatie van de nieuwe generatie poppodia in Nederland. Popjournalist Jan Vollaard las het boek en verlangt terug naar de kraakpanden en boerenschuren van weleer.

“Writing about music is like dancing about architecture.” Die beroemde uitspraak wordt meestal aan Frank Zappa toegeschreven. Soms aan Elvis Costello. Of was het Costello die Zappa citeerde? Hoe dan ook; schrijven over popmuziek is in de ogen van de meeste artiesten net zo’n omtrekkende beweging als dansen rondom een kathedraal. Persoonlijk dans ik al meer dan twintig jaar rond mijn favoriete gebouwen, in figuurlijke zin. Schrijven over popmuziek valt me makkelijker dan in het begin, hoewel het nog steeds onmogelijk is de opwinding, de emotie, de impact en de kwaliteit van muziek ten volle in woorden te vangen.

De zoektocht naar nieuwe, spannende, buitenissige of gewoon goede popmuziek heeft me in al die jaren naar veel verschillende plaatsen gebracht. Theaters, boerenschuren, sportpaleizen. Het Möpke in Delden, een door velen betreurd want niet meer bestaand punkhol op het Twentse plattenland. Hammersmith Palais in Londen, een oude balzaal die schitterde van vergane glorie, inclusief kroonluchter. Een sporthal in Barcelona, een kelder in Liverpool, een oud weeshuis in Deventer, een botanische tuin in Brussel. En natuurlijk honderden keren naar Paradiso in Amsterdam, mijn tweede huiskamer en de enige echte poptempel die Nederland rijk is.

boven: de Effenaar in Eindhoven door MVRDV
onder: het Patronaat in Haarlem door Diederendirrix

“Pop gedijt beter in een galmvrije omgeving,” beweert Allard Jolles in zijn essay over Licht, Lawaai en Ruimte. Hoe mis kan een analyticus met een glorieus rock & roll-verleden het hebben? (architectuurhistoricus Jolles was ooit drummer van de onvolprezen garagerockgroep Claw Boys Claw). Pop, en zeker rock & roll gedijen in tochtige kraakpanden, smerige galmbakken, onbewoonbaar verklaarde bouwvallen waar goedkoop bier direct uit de krat wordt verkocht. Hoe mooi de nieuwe Mezz in Breda, Dynamo in Eindhoven en Paard van Troje in Den Haag ook zijn geworden, ze zullen het als broedplaats van poptalent nooit halen bij de krakersholen die in de jaren zeventig van de vorige eeuw een nieuw élan in de rockmuziek voortbrachten. De Ramones, punkgroep van het eerste uur die met de strijdkreet “Hey ho let’s go” ongewild model stond voor de hier besproken boektitel, hadden nog niet dood gevonden willen worden in een gedempt consumentenparadijs als de HMH.

Enkele schrijnende details die in het boek niet genoemd worden. De nieuwe Effenaar in Eindhoven is voorzien van een claustrofobie verwekkend gangetje annex trappenhuis langs de garderobe, waar het hele publiek doorheen geperst moet worden om in de propvolle grote zaal met zijn veel te drukke bars te passen. Het herentoilet in de vele miljoenen kostende nieuwbouw van het Patronaat in Haarlem heeft een van buiten zichtbare trog, waarin mannelijke concertgangers geacht worden collectief te pissen, met al het gespetter van dien. Geloof me, ik ken kraakpanden waar die dingen publieksvriendelijker geregeld zijn. Wat de dames en heren architecten vooral kunnen leren uit de lofzangen die in Hey Ho Let’s Go worden aangeheven op hun werk, is dat een bestaand gebouw per definitie een sfeervollere omgeving oplevert dan de vierkante blokkendozen die uit de computers rollen als er weer zo’n efficiënte concertfabriek moet worden opgetrokken. Wat zou ik graag nog eens een dansje rondom die oude boerenschuur van Het Möpke in Delden maken.

boven: Tagrijn door Frits van Dongen/Architecten Cie.
onder: Heineken Music Hall door Frits van Dongen/Architecten Cie.

Het boek Hey Ho Let’s Go: Poppodia in Nederland brengt in kaart welke popzalen in de afgelopen tien jaar nieuw gebouwd of onder architectuur gerenoveerd werden. Dat begon bij 013 in Tilburg, met in zijn grote zaal nog steeds de slim naar beneden aflopende vloer die herinnert aan de oude bisocoop waarin ooit voorganger Noorderligt (op een andere plek) was gevestigd. Nieuwe zalen waren nodig, betoogt directeur Jaap van Beusekom van het Nationaal Pop Instituut in zijn inleiding, toen de vuurwerkramp in Enschede en de nieuwjaarsbrand in Volendam aanleiding gaven tot andere regelgeving. Milieu-eisen werden in de loop der jaren aangescherpt, geluidsoverlast feller aangepakt en Europese regels hebben de bestaande jongerencentra uit oude fabrieken, bioscopen en kelders in drukbevolkte stedelijk centra verdreven.

Maar ook: popmuziek is keiharde business geworden. De Heineken Music Hall kwam er niet omdat Paradiso en Melkweg uit de binnenstad verdwijnen moesten, maar omdat concertorganisator Mojo een grotere zaal in de regio Amsterdam nodig had om vraag en aanbod van concertkaartjes op elkaar af te stemmen. Ook de HMH is een “poptempel”, beweert het fraaie fotoboek dat met welwillende camera’s danst rondom en in de nieuwe popzalen. Maar waarom heb ik in die efficiënt ingedeelde muziekbunker HMH aan de Arena-winkelboulevard nog nooit de sfeer van heiligheid gevoeld van de betere Paradiso-avonden? Bij het openingsconcert van de Heineken Music Hall in 1993 stond ik achter een groepje fans van hardrockgroep Deftones die de pleister op de zere plek legden. “Mijn autoradio kan harder,” mopperde één van hen over de enorme demping die door de zorgvuldig gecapitonneerde muren werd bereikt.