Opinie —

De moraal van ‘tussenland’

Leo van den Berg

De mond vol hebben van ‘compacte stad’ en ‘inbreiden’, maar daarvoor liever het stedelijk groen aanspreken, goedkope weilanden aanbreken en lekker tegen elkaar opbieden in gesubsidieerde bedrijvenlocaties. Het probleem van ‘verrommeling’ wordt gebracht als een soort natuurverschijnsel, terwijl het toch echt het resultaat is van kortzichtig winstbejag.

Heerlerbaan, Heerlen – Foto Dieuwertje Komen

In de tentoonstelling Stad noch land (nog te zien in het Nai) en op de verschillende manifestaties die daaromheen worden georganiseerd, worden we met de neus op een aantal plekken in Nederland gedrukt waar het met de ordelijke verstedelijking, waarop we ons zo graag laten voorstaan, niet zo goed is gegaan. Onder het motto ‘de ontordening van Nederland’ draait het om drie gebiedjes waar het ‘stad noch land’ is: De Liede in de Haarlemmermeer, De Locht in Limburg en Dorst in Brabant, elk met hun eigen verhaal. Steeds een min of meer toevallige samenloop van factoren, van botsende belangen, van sterke en zwakke persoonlijkheden en voortschrijdende inzichten, waardoor het ontwikkelingsproces van platteland naar uitbreiding van de ‘bebouwde kom’ stagneerde. Ook buiten deze tentoonstelling en manifestaties is er de laatste tijd relatief veel aandacht in den lande voor de 'verrommeling' van ons landschap, met als klap op de vuurpijl de rondvlucht die de kopstukken in de bouwnijverheid onlangs enkele kamerleden aanboden om hen te laten zien wat voor puinhoop we er van maken.

Er lijkt dus meer aan de hand dan het ‘proberen te leren’ van enkele spectaculaire uitzonderingen die de regel van goede en netjes uitgevoerde plannen bevestigen. Is er sinds de intrede van het marktdenken sprake van een proces van ‘ontordening’ in de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland? Moeten we maar wennen aan de manier waarop die markt onze ruimte ordent? Zijn het gewoon voorbeelden van verweving van functies die minstens zo goed tot efficiënt ruimtegebruik leiden als keurig aangeharkte woonwijken naast recreatiegebieden en bedrijventerreinen? Zo van: het mag er dan misschien wel rommelig uitzien, maar het geeft wel veel mogelijkheden voor de ontplooiing van initiatieven en verrassende woon- en werkmilieus. Laten we wel wezen: we hebben hoe dan ook overal in het land van die broedplaatsen nodig. Het is nog niet eens zo heel lang geleden (rond 1985) dat de term 'gelegaliseerde rommelzone' als broedplaats en avontuurlijk landschap in het jaarverslag van de Rijksplanologische Dienst werd gepromoot, maar daarvoor hoef je nog niet je ruimtelijke ordeningsprincipes als compacte stad, groene hart en gebundelde deconcentratie, allen ten dienste van het Algemeen Belang zonder particulier initiatief te frustreren, overboord te gooien.

In het buitenland, en lang niet alleen in de VS, kunnen we goed zien hoe de markt de ruimte ordent: met veel verspilling en cynisme. Als klein en welvarend land menen we ons deze bijverschijnselen niet te kunnen veroorloven. Daarom houden we onze overheden verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening. Veelvuldig is ons land hiermee als lichtend voorbeeld gebruikt door de planners en bestuurders in datzelfde buitenland. Helaas zijn onze overheden (vooral de gemeentelijke) door de intrede van het marktdenken (na de Hollandse nu de Amerikaanse ziekte?) op de onzalige gedachte gekomen dat ze ook geld moeten gaan verdienen met projectontwikkeling, al dan niet in publiek-private samenwerking. Wat is er dan makkelijker dan goedkope landbouwgrond te verwerven en die grond als bouwterrein op te leveren? Vooral als we dan ook nog eens te horen krijgen dat onze akkerbouwers en veetelers te kampen hebben met een verzadigde markt, hoge grondkosten en milieuheffingen. Juist door een strikt ruimtelijk beleid hebben we jarenlang die grondkosten voor de agrarische sector in bedwang kunnen houden, maar door het vrijere marktdenken is nu overal de verwachtingswaarde van grond zodanig gestegen dat de prijs voor boeren die aan schaalvergroting willen doen zonder intensivering (lees: bouw van stallen, schuren en kassen; lees 'verrommeling') nauwelijks is op te brengen. Let wel: het blijft er om spannen: net wel of net niet? Het is echt nog geen verloren zaak voor onze grondgebonden landbouw.

We moeten ‘verrommeling’ dan ook niet beschouwen als een soort natuurverschijnsel, want het is toch echt het resultaat is van kortzichtig winstbejag bij bestuurders en ontwikkelaars tegen het verzet van bewoners en milieu- en natuurgerichte actiegroepen in. Zeker nu we te maken krijgen met een demografische stagnatie of zelfs krimp valt het moeilijk vol te houden dat we enkele unieke eigenschappen van het Nederlandse cultuurlandschap (relatief kleine steden omringd door intensief ingerichte en beheerde, onderling zeer verschillende 'open' gebieden met daarin toch al heel veel opstallen) verder moeten aantasten.

Teveel energie wordt gestoken in mooie praatjes over de verhoging van de omgevingskwaliteit van een weiland door er een soort Wassenaar van te willen maken, terwijl er overal binnen de bebouwde kommen grote gebieden zijn waar het met de omgevingskwaliteit veel triester is gesteld dan met die van dat weiland. Laten de publieke en private projectontwikkelaars daar in al dan niet eendrachtige samenwerking hun tanden op stukbijten. Daar hebben we met z’n allen veel meer aan! Zeker als we met stedelijke herstructurering en ‘inbreiden’ niet de kant op gaan van het volbouwen van sportvelden, stedelijk groen en volkstuincomplexen, want dan vervalt de overheid in dezelfde fout als bij van het aansnijden van het zoveelste weiland aan de rand van de stad of het dorp. En laten we dan regelmatig een tentoonstelling in het NAi organiseren over die stedelijke reconstructiegebieden ‘voor en na’, zodat we ons een goed oordeel kunnen vormen over de aspecten van verbetering en verslechtering. Dat we hierbij niet om de financiële markt en grondeigendom heen kunnen spreekt vanzelf, maar het is aan de overheid om zich in de rol van regisseur en kwaliteitsbewaker, niet door de exploitant te laten verdringen. Misschien helpt het als de centrale overheid gemeenten expliciet ging belonen voor projectontwikkeling die niet ten koste gaat van de hoeveelheid groene ruimte.