Feature —

De veranderende definitie van openbaarheid

Hans Teerds en Tom Avermaete

Als er één begrip is dat onze hedendaagse conditie typeert, dan is het wel het ‘publiek domein’. In allerlei discussies duikt het concept op en steeds stelt men zich de vraag hoe er met dit domein moet worden omgesprongen. Xaveer de Geyter en Manuel de Solá-Morales wisselen op 22 februari hierover in Delft van gedachten.

foto’s Theo Baart

Het publieke leven is voor De Solà-Morales één van de cruciale karakteristieken van een vitale stad. Architecten en stedenbouwkundigen moeten er voortdurend uitdrukking aan geven. Het private en het openbare moeten op elkaar betrokken blijven, zo stelt hij.

De Belgische architect Xaveer de Geyter wijst erop dat steden maar een zeer beperkt deel uitmaken van de Europese stedelijkheid. Het overgrote deel van het verstedelijkte gebied tussen London en Italië, de befaamde ‘Blue-Banana’, kan worden omschreven als een conditie van Sprawl, stad noch land, zo stelt hij in het onderzoek naar de hedendaagse stad ‘After Sprawl’:

“Ruimtelijk wordt de Blue Banana gekenmerkt door een bonte verzameling van losse fragmenten die met elkaar verbonden zijn door een dicht net van infrastructuur. Binnen die fragmenten zijn de historische radiale nederzettingspatronen uitgegroeid tot een heterogene conditie waarbij de tegenstelling tussen stad en platteland steeds verder vervaagt. Binnen dit gebied blijkt de stad niet meer geconcentreerd te zijn rond één kern. Het openbare leven is niet meer gebonden aan één centrum, maar beweegt zich continu heen en weer tussen verschillende concentratiepunten. De verhoogde mobiliteit heeft voor de bewoners vrijheid en keuze geïntroduceerd over het gehele territorium, de bewoners stellen nu zelf hun stad samen. De sprawl-gebieden zijn dan ook niet langer perifeer maar zijn een attractiepool op zich geworden.”

Lieven de Boeck in Xaveer de Geyter Architecten, After Sprawl, onderzoek naar de hedendaagse stad, Rotterdam 2002, NAi Publishers

Sprawl staat niet noodzakelijk synoniem voor de volledige erosie van het publieke, zo stelt De Geyter. Binnen de nieuwe conditie van Sprawl, waar elke woning zijn eigen domein heeft, waar het private leven lijkt te regeren en waar de openbare ruimte vaak niet veel meer is dan een verbindingsweg, is het toch nog mogelijk om te spreken over publiek leven. De Geyter ziet kansen en mogelijkheden voor collectiviteit, maar dat vereist wel nieuwe perspectieven.

“Terwijl in de traditionele stedenbouw het instrumentarium geënt was op een algemeen aanvaarde theorie (bijvoorbeeld de scheiding van functies in het modernisme) of op een representatie van macht of ideologie (bijvoorbeeld het Parijs van Haussmann) is dit nu, na het verdwijnen van de grote ideologieën, niet meer het geval. De enige waarheid die sinds de Romantiek overeind blijft, is de natuur als ideale leefomgeving; iedereen wil een gezonde groene leefomgeving. Waar de planologie – die grotendeels is ontstaan uit het modernisme – met zijn drang aan scheiding van functies de negatieve ruimte reduceert tot een element van scheiding tussen gebouwen, tussen gebouwen en infrastructuur of tussen verschillende activiteiten, kan de negatieve ruimte in de after-sprawl anders worden benaderd. […] Enerzijds zou de negatieve ruimte de after-spawl ruimtelijk kunnen vormgeven, anderzijds zou ze zich kunnen doen gelden als de introductie van het groen. Hierdoor zou de after-sprawl een ruimtelijke kwaliteit en een eigen van van collectiviteit kunnen krijgen.”

Lieven de Boeck in Xaveer de Geyter Architecten, After Sprawl, onderzoek naar de hedendaagse stad, Rotterdam 2002, NAi Publishers

Ook de hedendaagse stedelijke (sprawl) conditie ontheft architecten en stedenbouwkundigen dus niet van de netelige kwestie van het publieke domein. Integendeel. De veranderende definitie van openbaarheid confronteert architecten en stedenbouwkundigen met nieuwe uitdagingen. Het verhindert hen om terug te vallen op bekende stedelijke figuren van openbaarheid en dwingt hen om nieuwe denkkaders te ontwikkelen. Ontwerpers realiseren zich dat de private en openbare ruimten die zij bedenken binnen de hedendaagse stedelijke conditie voortdurend het vermogen bezitten om contramal of drager van publiek leven te worden. De mate waarin een ruimte kan worden veroverd, de verhouding van de private tot de publieke ruimte, de mogelijkheden voor beschutting en ontwijking, het zijn allemaal factoren die hun invloed hebben op het ontstaan van het publieke domein.

Het debat over het publieke domein is één van de voortdurende pogingen van de samenleving om met ‘verschil’ in het publieke leven om te gaan. Want dat is de kern van het begrip publiek domein: de ruimte voor verschil; de ruimte om in het publieke leven jezelf te zijn, inclusief overtuigingen, geloof en gedrag, én, ook niet onbelangrijk, om er met anderen ‘geconfronteerd’ te worden. Een goed functionerend publiek domein wordt gezien als één van de essentiële kenmerken van een democratische samenleving.

Het debat over het publieke domein beperkt zich niet tot verworvenheden als de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van godsdienst, de media, enzovoort. Het publieke domein heeft ook een ruimtelijke karakteristiek. Immers, de ontmoeting, confrontatie en uitwisseling tussen individuen moet ook letterlijk ergens plaats vinden en kan niet beperkt blijven tot de opiniepagina’s in de krant of fora op internet. Idealiter zal deze uitwisseling ook ergens in de werkelijkheid plaats moeten vinden, zo schrijven Maarten Hajer en Arnold Reijndorp in hun essay ‘Op zoek naar nieuw publiek domein’. Want, stellen zij alleen in de (letterlijke) confrontatie met de ander wordt de eigen leefwijze op scherp gesteld. Alleen door de confrontatie met andere normen worden we ons bewust van onze eigen normen en ideeën en komen deze ter discussie te staan. En alleen als we deze confrontatie aandurven, werkelijk met elkaar in gesprek zijn, zal er zoiets mogelijk zijn als een samen-leving.

In het architectuurdebat over de openbare ruimte wordt nog steeds verwezen naar de klassieke voorbeelden waarin de begrippen publiek domein en openbare ruimte samenvallen: oude stadspleinen waar bewoners en toeristen, demonstranten en recreanten gebruik van maken, boulevards waar de dakloze de ‘upper class’ gadeslaat en andersom. Maar is dat nog reëel? Bestaan er nog plaatsen in de hedendaagse stad die de publieke ruimte en het openbare domein naadloos verenigen? Is het publiek niet zo divers geworden dat er geen publieke ruimte meer is waarmee iedereen zich kan identificeren en waarin iedereen samenkomt? En, als dat zo is, zijn er dan andere plekken te vinden die het verlies van deze ruimte ondervangen? Rem Koolhaas stelt in zijn essay Generic City dat het openbare leven in de stad van de toekomst zich binnen gaat afspelen, in hotellobbies en shoppingmalls. Pleinen en straten hebben afgedaan, krijgen slechts een infrastructurele functie. Het echte openbare leven zal zich ontplooien op privaat terrein. De Spaanse architect Manuel de Solà-Morales schetst in zijn artikel ‘Openbare en Collectieve ruimte’ een vergelijkbare ontwikkeling in de historische Europese stad. De openbare ruimte wordt er steeds vaker ingenomen door private initiatieven, zoals terrassen en kraampjes. Gelijktijdig speelt  het publieke leven zich steeds vaker af in private ruimten, zoals disco’s, warenhuizen en stadions. De Solá-Morales ziet een tussendomein ontstaan, tussen publiek en werkelijk privé: een ‘collectief domein’. En in tegenstelling tot Koolhaas ontdekt De Solà-Morales hierin een ontwerpopgave voor de architect en de stedenbouwer:

“Hotels, restaurants, weekend- en toeristencentra, de perifere discotheken; het zijn deze ongedefinieerde ruimtes waar de openbare vorm van de stad de inzet van het spel is. De periferie is paradoxaal genoeg het werkelijke centrum van het toekomstige leven van de steden en zal gevormd worden door de ruimtes die een betekenis hebben als plaatsen van gemeenschappelijk belang, […] De ‘goede’ stad is daarom die stad waar de particuliere gebouwen openbare elementen zijn en een sociale betekenis en waarde uitstralen die verder reiken dan het gebouw zelf en waarin hun stedelijke karakter ligt besloten.”

Manuel de Sola Morales, ‘Openbare en collectieve ruimte, De verstedelijking van het privé-domein als nieuwe uitdaging’, in: OASE 33, Over de transformatie van de metropool, Nijmegen 1992, Uitgeverij SUN