Feature —

Kritische Intentie?

Robert-Jan de Kort

Als negende in de rij sprekers over de relatie tussen architectuur en Power vertelde Hilde Heynen in het Berlage Instituut over de politieke intenties van moderne architectuur. In een sneltreinvaart kwam de geschiedenis van de twintigste eeuw voorbij. Voorts zette Heynen uiteen wanneer de architectuur wel, niet en een beetje een politieke ondertoon had.

Door haar boek Architectuur en kritiek van de moderniteit en haar betrokkenheid bij de publicatie Dat is architectuur kan Hilde Heynen (professor aan de Katholieke Universiteit Leuven), met haar kennis over de moderne beweging in de vorige eeuw, een zwaargewicht genoemd worden. Heynen begon haar lezing met de wat algemene vraag in hoeverre politiek en architectuur met elkaar verweven zijn. Haar kernpunten waren dat architectuur, op een moment dat er sprake is van verwevenheid, de politieke status quo belichaamt, classificeert, versterkt of bekritiseert. Heeft architectuur geen politieke ondertoon dan keert het in zichzelf op zoek naar authenticiteit. Het nogal voor de hand liggende spectrum dat Heynen hierbij liet zien, liep van schilderijen met daarop de bestorming van de Bastille in Parijs (1789) tijdens de Franse revolutie, waarbij de architectuur de macht belichaamd, tot de transgressieve architectuur van Bernard Tschumi die met zijn follies in Parc de la Villette (1982) de macht juist provoceerde door de architectuur geen functie te geven.

De uiteenzetting van de twintigste eeuw had de Tweede Wereldoorlog als keerpunt voor de koers van de moderne beweging in de architectuur. Voor de oorlog verbonden enkele moderne architecten samen met denkers als Walter Benjamin en Karel Teige hun werk aan de idealen van het communisme. Dit uitte zich volgens Heynen vooral in de woningbouw. De idealen van de architecten kregen vorm in een huis dat, net als het communisme, transparant was en ruimte schiep voor een socialistische samenleving. Zij zweeg echter over een essentiële periode in de moderne architectuur door de oorlog, en de aanloop ernaar toe, in zijn geheel als omslagpunt te nemen zonder er inhoudelijk op in te gaan. Voor en tijdens de oorlog waren architectuur en macht toch nauw met elkaar verweven. Hebben de nazi’s er niet voor gezorgd dat de modernisten werden verdreven of vermoord? En waren de concentratiekampen niet buitengewoon rationeel van opzet? De moderne technieken werden door de machthebbers in Duitsland gebruikt voor een doel dat geenszins een socialistische samenleving diende.

De Tweede Wereldoorlog gaf aanleiding tot het in zichzelf keren van de moderne architectuur. Het politieke aspect verdween tot de jaren ’60 uit de idealen van moderne architecten. Echter, door het oplaaien van de Koude Oorlog werd moderne architectuur ineens ingezet als symbool van de welvaart die het kapitalisme had voortgebracht. Illustratief hiervoor waren de Hilton-hotels die overal ter wereld als iconen van het westen verrezen. Hier werd de lezing even interessant, niet alleen omdat het moderne leven ineens het paradepaardje van het kapitalisme geworden was, maar vooral omdat er allerlei grotere machten in het spel waren die bijvoorbeeld een Hilton-hotel tot een beeld reduceerden, waarbij de essentie van veel moderne, vooroorlogse, architectuur naar de achtergrond verdween. De Amerikanen pochten tegenover het communistische Rusland met de luxe van het moderne suburbane leven in de Verenigde Staten.

Hierna hield Heynen het voor gezien met haar niet al te consistente geschiedenisles en sloot af met een korte uiteenzetting over het debat Rise of heterotopia – Public Space in Post Civil Society aan de Katholieke Universiteit Leuven, waarin zij haar fascinatie uitsprak voor de subversieve manieren waarop de stad kan worden ervaren. Opvallend was dat na afloop de vragen zich enkel hier op richtten, nota bene een side-step in de lezing. Tevens was het frappant dat er nog steeds een zekere hunkering bestaat naar concrete, complexe voorbeelden van gebouwen en hun relatie, of verwevenheid, met machten of krachten. Het CCTV van OMA werd genoemd als referentie en er werd geopperd dat architecten opdrachten moeten laten schieten zodra er dubieuze machten bij betrokken zijn. Heynen stelde dat een architect altijd moet bouwen omdat het dan op zijn minst een goed gebouw oplevert. Deze stelling had tal van referenties kunnen opleveren, maar die kans liet zij liggen. Om de verwevenheid van architectuur en macht vanuit architectonisch perspectief uiteen te zetten had Heynen de meest dubieuze periodes van de vorige eeuw beter niet buiten beschouwing kunnen laten.