Feature —

Who’s afraid of black and red, who’s (afraid of) Odile Decq?

Willemien van Duijn

Waarom Odile Decq in de Brakke Grond? Uit nieuwsgierigheid. Er is geen uitgebreide onderbouwing nodig om een architect uit te nodigen aldus gastheer Maarten Kloos. Een kleine anekdote leert dat diens vrouw een interview met Decq las in het Alitalia-magazine en opperde haar uit te nodigen. Zo trad Decq op 6 februari aan in ARCAMs theatrale lezingenserie.

Geboren in Bretagne en nog steeds wonend aan zee, met uitzicht op een eeuwige horizon, stelt Odile Decq: ‘Architectuur is op reis gaan. De horizon is een lijn die je wilt bereiken. Je bereikt hem nooit, maar je bent altijd in beweging. Je wil verder gaan, zo ver mogelijk.’

Het project waarmee Decq haar lezing inluidt, is het dek en interieur van een 44-meter jacht. Dit meest recente project was een tot de verbeelding sprekend avontuur. Het eerste overleg met de opdrachtgever, een jonge, lange, mooie Italiaan, was in Rome. Tijdens een lunch met whisky, chocolade en muziek. Ze werd gevraagd een interieur te ontwerpen waar de Italiaan alleen kon zijn om muziek van de zee te componeren, waar hij met zijn moeder en zusje kon samenzijn en waar hij zijn vrienden kon ontvangen. Dit resulteerde in een plattegrond die door middel van schuivende wanden steeds anders in te delen is. Van kleine praktische hutten tot één vloeiende plattegrond. Alles in het interieur werd ontworpen door Decq, van de boekenplanken en de stoffering van de banken, tot de douche waarvan de vloer opgeklapt kan worden tot een zespersoons bad. Het meest opvallende aan het ontwerp is het enorme flushdeck. Normaal gesproken bevindt de toegang tot de kajuit zich als een opbouw in het midden van het dek. Decq heeft de grote maat willen benadrukken door opbouwen en daglichtopeningen zoveel mogelijk te integreren. Daardoor spoelt het teak in curven langs de zitbanken en over de daklichten. Deze daklichten zijn in tegenstelling tot wat gebruikelijk is helemaal aan de randen gesitueerd. Zo valt het daglicht overdag via de wanden van het schip naar binnen en verlicht ‘s nachts het kunstlicht, opgenomen in dezelfde openingen, de reling buiten.

Opvallend is het aantal prijsvraaginzendingen dat Decq toonde. Een klein onderzoekje op de website van ODBC-Paris wijst echter uit dat van de 47 op de site getoonde projecten, er 27 bestaan uit prijsvraaginzendingen, waarvan 11 winnende. Als de verhouding op de website representatief is voor de projecten van het bureau betekent dit dat grofweg een kwart van de opdrachten van het bureau is voortgekomen uit het winnen van een competitie.

Decq noemt zich een autodidact want de school was begin jaren tachtig altijd dicht. Van de zes jaar dat ze studeerde heeft ze er vier protesterend doorgebracht. Dit heeft haar waarschijnlijk de doorzettersmentaliteit opgeleverd die onmisbaar is voor een veelvuldig aan prijsvragen deelnemende architect. Iedere keer je beste ideeën prijsgeven in de hoop daarvoor gewaardeerd te worden met een opdracht, vraagt om een ongetemde energie. Ze vertelt dan ook dat haar, nadat het bureau in 1991 erkenning kreeg met het project voor de Banque Populaire de l’Ouest in Rennes, vaak gevraagd werd: ‘wat hebben jullie al die tijd gedaan?’. Die vraag beantwoordt ze steevast met ‘We were working’. Wanneer een prijsvraaginzending niet als winnaar wordt aangewezen schroomt Decq echter niet om het ontwerp te manipuleren, bijvoorbeeld in schaal, en het bij een volgende prijsvraag opnieuw in te sturen.

Haar projecten presenteert ze met prachtige visualisaties. Scherpe Hadidiaanse beelden. Waar Hadid haar toehoorders bijna angst inboezemt met haar verschijning en bijbehorende attitude, is Decq’s verschijning (gothic-punk) eveneens opvallend. Maar haar charisma is van een andere orde. Eerder bescheiden en reflectief. Haar getoupeerde zwarte haren worden door de spots opgelicht als een aureool. Als een zwarte engel toont zij haar ontwerpen, voornamelijk in zwart en rood uitgevoerd wat ze een scherp diabolisch randje geeft.

Decq anticipeerde niet op het ARCAM-concept van de theatrale lezing, terwijl haar verschijning en architectuur zich daar juist zeer goed voor lenen. In twee uur toonde ze haar projecten en vroeg zich zelfs zuchtend even af of ze alle bijbehorende verhalen wel zou vertellen. Pas na afloop van haar lezing vertelde ze wat meer over zichzelf. Op de vraag hoe het komt dat ze zo relaxed is antwoordde ze dat ze relaxed is gewórden. Vijftien jaar geleden was ze dat niet, inmiddels heeft ze meer vertrouwen gekregen in wat ze doet. ‘I don’t care if everybody likes it, or not. I don’t want to be loved by everybody. I would lóve to be loved, but it is impossible.’

Het is volgens Decq belangrijk om te reflecteren en je af te vragen wat je aan het doen bent. Haar manier van ontwerpen komt voort uit haar liefde voor muziek. Dit kan de muziek van Stravinsky zijn, die de aanvang van de lezing markeerde, of AC/DC met het nummer Thunderstruck, dat het slot van de avond kracht bij zette. Ze verwijt architecten dat ze teveel alleen maar de ruimte vormgeven. Als architect kun je beweging dirigeren en zo de architectuur bezielen, net als bij Stravinsky en AC/DC wisselingen in ritmes, thema’s en overgangen de muziek bezielen.