Recensie —

Brussel & Marx & PepsiCo

Martin van Schaik

De timing is perfect: ‘Europa’ werd afgelopen weekend 50 jaar oud. In het kader van de festiviteiten rondom een halve eeuw Verdrag van Rome nestelt zich knus de publieke presentatie van A Vision for Brussels / Brussels Capital of Europe van het Rotterdamse Berlage Instituut. Een korte beschouwing van een mediageniek manifest in boek- en tentoonstellingsvorm.

Met veel tamtam werd op 17 maart j.l. de tentoonstelling van het inmiddels twee jaar oude studieproject Brussels Capital of Europe geopend in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten – met schitterende hoofdrollen voor Belgisch premier Verhofstadt, EU-Commissievoorzitter Barroso en prominente vertegenwoordigers van de hoofdstedelijke politieke kaste. Samen met de lokale architectuursociety hielden zij terloops de catalogus van het gebeuren ten doop. Gezien de overweldigende media-aandacht mag het initiatief nu al een razend succes heten. Maar is het als manifest voor een Europese Hoofdstad Brussel – en dus als provocatie – ook echt geslaagd?

De expositie bevindt zich in een schimmig achterafje (rechtsaf in de grote erezaal, volg bordjes WC/Vestiaire) van het BOZAR. Een op het eerste gezicht weinig verheffende setting waar de expositieontwerpers Office Geers/Van Severen maar het beste van hebben gemaakt. De enscenering is doelbewust sober; twee betrekkelijk kleine ruimtes, met elkaar verbonden door een lange, lege gang, elk omzoomd door muren van maagdelijk witte doeken in strakke vlakstalen geraamtes. Wit, in polemisch contrast met de beeldorgie van circus Koolhaas enkele lentes terug. Zaal één (verduisterd) toont een korte film waarin projectleider Pier Vittorio Aureli stapsgewijs het stedenbouwkundig idee toelicht, afgewisseld met historische beelden en flarden van interviews met beroemde Brusselaars als schrijver Geert van Istendael, opera-intendant Guy Mortier en het onvermijdelijke duo Verhofstadt/Barroso. Zaal twee toont een grote, gelikte stadsmaquette. In beide zalen wordt, zo blijkt ogenblikkelijk, de bittere ernst van het architectonisch project beleden: een Manifest waarin, andermaal, met Architectuur De Stad wordt gered.

De tragiek van Brussel is bekend: 19 kaboutergemeenten binnen een regio, zonder trots of samenhang, die zich – verminkt, bezoedeld en stevig uitgewoond door de jongens van de golfclub – gevangen zien in een uitzichtloze cyclus van masochistisch bouwen en breken. Op zijn best een boeiend, charmant en surreëel allegaartje, een ideological graveyard. De rol van de EU-instellingen, die hun (soms periodieke) thuis in de Brusselse Schumanwijk hebben, is die van gewillig handlanger of, erger nog, van ongeïnteresseerde bijstaander. En inderdaad, de geaccumuleerde Eurobunkers zijn – op het ooit trotse, nu vakkundig kapotgerenoveerde Berlaymontgebouw na – van een kolossale, geestdodende middelmatigheid.

In dit verband zijn de uitgangspunten van het Berlage-manifest uitgesproken helder: geen gerommel in de marge. Gedaan met het loflied op de ‘Vacant City’ (Brussel 2000); de politiek correcte vrolijk-veel-chaos-gedachte (Studio Open Stad) mag enkel nog figureren. Architectuur, als oerhoeder van het publieke, legt orde op (Why Architecture? – Order Is), zij vormt en representeert het gemeenschappelijke en het institutionele, geheel zonder gêne. Evidente analogieën en parallellen geven een positief antwoord op de vraag of Brussel een geschikte hoofdstad van Europa kan zijn. De identiteits- en representatiecrisis waarin Brussel verkeert (de disparate veelkleurigheid) spiegelt zich uiteraard mooi op het Europese vlak. Vertrekkend vanuit deze constatering, verbindt het Berlageproject voor Europahoofdstad Brussel zich resoluut met een symbolische en ideologische heroriëntatie van Europa als geheel.

In deze vlucht naar voren tonen de makers van A Vision for Brussels lef. Het Europa dat zij projecteren en waarvoor zij een hoofdstad ontwerpen, is een volwaardige Europese Unie die menig euroscepticus op de kast zal jagen. Een federale staat naar model van de VS,  een machtsblok met volwaardige politieke instellingen, en met een overduidelijk onbeduidende rol voor de (voormalige) lidstaten. Dit Europa, zo wil de tekst in het boek, zet zich duidelijk af tegen het turbokapitalistische continent Azië en het imperialistische Amerika, ‘a leap towards a new political utopia beyond the hegemony of world capitalism’. Brussel wordt daarbij, in hetzelfde grote gebaar, tot volwaardige representatieve hoofdstad gebombardeerd. Dat laatste gebeurt overigens zeer letterlijk. In een zwaar beladen, simplistisch-symbolische geste (dialectische spiegeling rondom een even karikaturale as) worden een negental locaties aangewezen om grote institutionele of anderzijds belangwekkende functies te herbergen: acupuncture with a big needle (een schitterend oxymoron: zachte stadsmassage met een moker… reddende engel daalt neer like a ton of bricks). Een constellatie van urban artefacts, symbolisch verspreid over het Brussels gewest, representeren het vermeende archetype van de Europese Stedelijke Cultuur: de archipel.

Hier beginnen de paradoxen zich op te stapelen en wordt het echt amusant. De architectonische urban artefacts die de studenten in boek en expo voorstellen, doen je – naargelang je psychische grondgesteldheid – hoofdschuddend, schuimbekkend of schaterlachend de zaal verlaten. Door de bank genomen zijn de plannen zo middelmatig, bombastisch of banaal dat je ernstig hoopt dat je hier te maken hebt met een boude provocatie. Het ‘gebundeld’ deconcentreren van Europese representatieve functies over de Brusselse lappendeken – en dus de gedeeltelijke oplossing van het Schumanghetto – ligt voor de hand. Mais c’est le ton qui fait la musique, in plaats van een enkele wijk koloniseert ‘Europa’ dan maar de hele stad. Waar ieder weldenkend mens een spagaat vaststelt tussen het publieke en het zuiver institutionele – frictie tussen de Civitas van Brusselaars en het alomtegenwoordige Instituut Europa – ziet het Berlageteam een vruchtbaar agon tot bloei komen (harmonieuze politieke wisselwerking in plaats van snoeiharde belangenstrijd). Welkom in Utopia: ‘Against the hegemony of the creative class, the inhabitants of the capital city will pursue a new urban and communitarian life style, based on cosmopolitanism, solidarity and the sharing of living space. The main ideological horizon of the cosmopolitan class will not be the incentive of competition and sociality in advantage of economic development, but the interminable practice of translation – the process of exchanging and displacing conceptions about the world by different communities of people… In the activity of translation… irreconcilable differences are neither denied nor exaggerated, but subjected to the political and historical question: who are we, and how do we relate to each other? …The city itself is a tangible condenser of political life and all that this entails.’ (Brussels – A Manifesto, p. 71). In een stad die als geheel functioneert als politieke machine voelt de nieuwe Homo Politico-Europaeis zich natuurlijk wonderwel thuis.

1 Leopold Quarter: a process of gradual transformation
2 Theatre (view from the Central Station towards the city centre)

De iconografie die ingezet wordt om het verhaal en de ontwerpen te verluchten is in dit opzicht interessant. Terwijl de expo en het boek openen met een machtig kruis door Norman Fosters SwissRe-gebouw – de Agora neemt de plaats in van corporatistisch Priapisme als institutioneel ruimtelijk paradigma – is het photoshopgeweld tweeduidiger: de schitterende gevels van Gordon Bunshafts PepsiCo-gebouw vormen het decor voor monumentale leegtes waar de nieuwe mens zijn innig doorleefde politieke rituelen opvoert; somptueuze businesslobby’s dienen als achtergrond van socialistisch welzijn. Sowieso staan de collages – evenals de ruimtes die ze moeten verbeelden –  bol van clichés, citaten en verwijzingen. De monumentale koppen (Socrates, Plato, Beethoven, Marx, Lenin, noem maar op) op het publieke dak van het nieuwe Europarlement rusten op onvermijdelijke Superstudio-grids. Koolhaas-pools en andere absolute, metropolitane frivoliteiten schuiven langs in een eindeloze optocht van oude koeien. 1972: ik mis het soms ook.

De tentoonstelling in Brussel schiet tekort omdat veel van het bovenstaande pas geopenbaard wordt na lezing van het boek. Dat laatste is bij tijd en wijle een ware marteling. Gelet op het verrukkelijk explosieve polemische potentieel  – zie het mooie, lange citaat boven –  is de tekst van het ‘manifest’ doorgaans zwak. De precisie ontbreekt. Als de syntax van de pure, architectonische vorm een speerpunt is, zou verleidelijke eenvoud en kracht in tekst geen kwaad kunnen. Een enkele mooie zin doet dan al deugd, prettig als vorm en vent soms samenvallen. Het boek wordt gered door de essays van filosoof Mario Tronti, historici Leloutre en Strauven en door de korte coda van grootmeester Elia Zenghelis.

Tussen de torenhoge ambitie en moedige uitgangspunten aan de ene kant en de intelligent georchestreerde mediahype aan de andere, gaapt een akelig grote leegte. Het eigenlijke project – de ontwerpen, de beelden, de taal – mist uiteindelijk diepgang en kritieke massa, de spoeling is te dun. Als het project desalniettemin slaagt om een langdurig, goed en open debat over de identiteit van de Belgisch-Europese hoofdstad te forceren, is de waarde van A Vision for Brussels niet te onderschatten. Interessant dus om te zien wat het aangekondigde symposium op 9 mei aanstaande gaat brengen. De gemoederen lopen hoog op bij dit project, en dat is toch onmiskenbaar knap. Zinnig antwoord op Prins Aureli en zijn dappere strijders moet in mijn geval luiden: nee, dit niet, nooit, nergens. Dus, verdomme Brussel (waar ge ook zijt): maak eens wat van jezelf, en bijt terug!