Feature —

De geopolitiek van clichés

Gideon Boie

De laatste lezing in de reeks over Power in het Berlage was van de Italiaanse architectuurcriticus Stefano Boeri, hoofdredacteur van Domus. Volgens hem ontkomt een architect er niet aan zich te mengen in politieke spelletjes, omdat politieke strijd steeds op het terrein van de architectuur uitgevochten wordt.

De boodschap ten aanzien van het thema was opmerkelijk simpel en duidelijk: architectuur ontkomt er niet aan om zich te verdiepen in de werkingen van macht. Haar disciplines worden altijd bepaald – of ze dat nu wil of niet – door kennis die voorbij gaat aan de eigen discipline. Boeri noemt dit het ‘exces aan kennis’ in het ontwerp: de meest fundamentele ontwerpbeslissingen worden niet door de architect genomen, maar zijn een resultaat van externe politieke, economische en technische processen.

Dat het ontwerp gekleurd wordt door macht, maakt echter ook dat de macht zelf in grote mate een ontwerpmatige ‘beeldende’ kant heeft. Zo definieert Boeri macht als een ‘geopolitiek van clichés’: vooraleer een macht überhaupt macht kan uitoefenen moet het een visuele vorm aannemen en als beeld gedeeld worden met anderen. De definitie van de ‘schurkenstaat’ is de cliché waarmee de VS bepaalde landen wegzet als dictatoriaal (Noord-Korea) of fundamentalistisch (Iran). Deze beeldvorming stelt de VS in staat om een duidelijke strijdlijn te creëren en ook een duidelijke loyaliteit af te dwingen onder haar eigen burgers en partnerstaten.

Het interessante is, zo merkte Boeri op, dat de beschuldigde staten doorgaans een vrij onverwachte reactie ontwikkelen: staten als Noord-Korea en Iran doen weinig of niets om het hun opgelegde imago van schurkenstaat te weerleggen. Integendeel, ze doen er alles aan om het cliché te bevestigen. De beruchte conferentie over het niet-bestaan van de holocaust ziet Boeri als een voorbeeld van hoe Iran haar uitermate tolerante en multiculturele samenleving strategisch verbergt (het feit dat in Iran veel joden wonen, er nauwelijks racisme heerst, etc.) en het spel van de VS handig uitbuit. De allesdoordringende invloed van de ‘geopolitiek van clichés’ verplicht ontwerpers om een beeld te accepteren en het vervolgens van binnenuit te ondermijnen.

De aanwezigheid van de ‘macht’ in het ontwerp dwingt de ontwerper echter niet alleen tot een analytische opdracht. Boeri benadrukt dat naast het ontcijferen van de globale condities van het ontwerp en de vele verbindingen tussen ontwerper en geopolitiek, ook onderzocht moet worden hoe de middelen van de architectuur ingezet kunnen worden in de ontwikkeling van wat hij ‘geopolitieke actie’ noemt.

Dit is mogelijk door ‘stedelijke portretten’ op te stellen die kunnen circuleren als een ‘tegenidentiteit’. Het gaat dan om beelden die niet reductionistisch of uitsluitend zijn, zoals een cliché, maar juist de complexiteit van een situatie laten zien. Bovendien gaat het niet om de uitbeelding van de juiste of objectieve realiteit – het cliché biedt zich immers aan als dé waarheid – maar om het zoeken naar een vervangende waarheid die zich als een stoorzender vasthecht aan het cliché.

‘Het gaat om substitutie, niet om representatie,’ benadrukt Boeri. Hiermee zet hij de ontwerppraktijk af tegen bijvoorbeeld de industrie van het globale toerisme. Het toerisme vaart immers op de werking van clichés. Eerder dan bij te dragen aan exotisme moet de ontwerppraktijk volgens Boeri steeds op zoek gaan naar manieren om het heersende cliché te verstoren. Een rol ziet hij hierin weggelegd voor de ‘globale flaneur’: iemand die voortdurend de kritische afstand van een toeschouwer cultiveert en vanuit zijn inzicht in een bepaalde clichématige situatie deze laatste strategisch ondermijnt. In de interpretatie van Boeri laat de flaneur zich kenmerken door:

– Zijn mogelijkheid om te ‘samplen’, te spelen met bekende feitelijkheden en deze strategisch kort te sluiten;

– Zijn bereidheid om zich lijfelijk in de locale situatie te begeven;

– Zijn capaciteit om een woordenboek op te stellen van ‘details en sleutels’ die ons iets vertellen over de samenleving waarbinnen deze zich voordoen.

Met twee eigen projecten lichtte Boeri deze strategie toe. In Tehran Paradoxes ontkrachtte hij met een aantal paradoxen het clichébeeld van Teheran als één der hoofdsteden op de as van het kwaad. Zo zou de Iraanse vrouw juist door de hoofddoek toegang krijgen tot centrale posities in de maatschappij. Door de goedkope olie bleek de auto uit te groeien tot de ultieme vrijplaats: een plaats van politieke discussie, broedplaats van nieuwe jeugdcultuur, afwerkplek van seksuele transacties, etc. Ook de krioelende en uitdijende bazaar van Teheran, een op het eerste gezicht vrij traditioneel gebeuren, ontpopt zich tot een vervangende publieke ruimte waarin naast commercie vooral ook politiek, cultuur en kunst bedreven worden. Tenslotte bleek Teheran ook op tal van manieren nauw verweven te zijn met de Amerikaanse samenleving (zo zouden meer dan 200.000 Irani’s in Zuid-Californië wonen).

Ook in Pyongyang, hoofdstad van de Noord-Korea, werd deze strategie toegepast. Volgens Boeri is Pyongyang een ‘andere’ plaats die de westerse blik tegelijk verbaasd en angst inboezemt. Zo toont hij hoe Pyongyang op architecturaal vlak enerzijds sinister is (de stad zou een bijna perfecte kopie zijn van een beruchte maquette ontworpen door president Kim), maar anderzijds bijzonder bekend overkomt doordat er veel westerse voorbeelden werden gekopieerd (in het architectuurcentrum zijn vele iconen van de westerse moderne architectuurgeschiedenis tentoongesteld) en de geschiedenis van Pyongyang gelijkloopt met veel westerse steden (de stad werd na WOII volledig herbouwd).

Boeri eindigt zijn uitzetting over architectuur en macht met de opdracht aan de architect om in te zetten op een ‘tegendraadse geopolitiek’. Dit brengt hem tot een herdefinitie van het begrip ‘antenna’ waarvan de herkomst ligt in haar functie als exclusieve doorgeefkanaal voor propaganda (en dus de monopolisering van kennis.) Boeri wil deze functie van de antenna misbruiken door de productie en het uitzenden van ‘counterbeelden’ die gebaseerd zijn op persoonlijke ervaring en onderzoek.

Hoe geëngageerd de analyse van Boeri ook is, de vraag dringt zich op in hoeverre het cliché serieus genomen wordt door haar eigen producenten en of een kritische afstand iets vermag tegen haar machtswerking. Toont het hele gedoe rond de beruchte, onvindbare WMD’s in Irak niet dat de VS zélf haar eigen clichés niet al te serieus neemt?