Recensie —

Open 11: Hybride ruimte

Geert Lovink

Het tijdschrift Open, Cahier over kunst in het publieke domein wijdt een nummer, getiteld Hybride ruimte, aan de invloed van draadloze media op de publieke ruimte. Deze nieuwe media worden ingezet ter controle, maar bieden ook nieuwe mogelijkheden voor publiek handelen, participeren en interveniëren. Geert Lovink bespreekt Open nr. 11.

Na een decennialange groei van de mediasfeer in de richting van een autonoom, parallel universum is een nieuwe generatie gadgets op de markt verschenen die niet louter simulacra de wereld in suist, maar die zich nestelt in onze materiele omgeving. De publieke ruimte is daarom ook van karakter veranderd. Of zoals de inleiding van het themanummer Hybride ruimte het formuleert ‘een verstrengeling van concrete en virtuele eigenschappen, van statische en mobiele domeinen, van publieke en private sferen, van globale en lokale interesses’. Even afgezien van de vraag of ‘hybride’ een modewoord is dat zijn langste tijd heeft gehad, het mag duidelijk zijn dat we het hier niet hebben over een gelukkig huwelijk, laat staan over een Hegeliaanse synthese. Waar het gastredacteur Eric Kluitenberg om gaat is het cultiveren van gemende gevoelens. Van GSM tot UMTS mobieltjes, draadloos internet thuis en RFID tags in de winkels, overal om ons heen zien we de communicatie gadgets kleiner en mobieler worden, en in verkeerde handen vallen. Wat de een ziet als een bevrijding vreest de ander als het ultieme wapenarsenaal van het onzichtbare fascisme. Hoe we met deze ontwikkelingen uiteindelijk omgaan zal op termijn vervat worden in ethiek en moraal, maar voor we zover zijn is het aan de kunst om vooronderzoek te doen. Net als Ezra Pound ziet het tijdschrift Open kunstenaars als voetsprieten van de samenleving. Voordat we besluiten of oordelen, geven we eerst het woord aan de esthetiek. Zo gaat dat tegenwoordig. Kunstenaars hoeven niet voor of tegen te zijn, als ze maar onderzoeken.

Samen met Howard Rheingold doet samensteller Eric Kluitenberg een oproep om het heft in eigen handen te nemen en ervoor te kiezen zich niet continu te laten lastigvallen door de elektronische signalen in de directe omgeving. Dit ‘welbewuste afhaken’ is bedoeld om de paradox van de autonomie te handhaven: als we ons niet kunnen afsluiten is er van vrijheid geen sprake meer en zijn we overgeleverd aan Big Brother. Tegenover dit pleidooi voor de mogelijkheid tot het handelen naar gewetensbezwaren, staat de pragmatiek van RFID knutselaars, vertegenwoordigd door Klaas Kuitenbrouwer die Mediamatic-workshops geeft waarin de burger/kunstenaar de boosaardige technologie leert onttoveren. De theorie komt terecht van Saskia Sassen, die al jaren de relaties tussen het globale niveau van de virtuele netwerken en het bloed, zweet en tranen van de grootstedelijke service-industrie in kaart brengt.

In de afgelopen jaren heeft Open, dankzij hoofdredactrice Jorinde Seijdel en de steun van SKOR, zich ontwikkeld tot een toonaangevend tijdschrift voor kunst, nieuwe media en theorie. Het nam het stokje over van het tijdschrift Mediamatic, ook tweetalig, dat de voortrekkersrol begin jaren negentig vervulde. Het is in dit verband interessant om een vergelijking met De Witte Raaf te trekken. We zien hier de rationele stroming van boven de rivieren, schatplichtig aan een groter publiek, naast de zuidelijke tendens die hermetisch is en andere verbindingen legt tussen theorie en politiek. Daar waar Open zich verschuilt achter innovatieve kwesties, blijft De Witte Raaf steken in een institutionele definitie van beeldende kunst. Wat de theorie betreft zien we het omgekeerde: terwijl Open moet schrappen om toegankelijk te blijven geniet De Witte Raaf van de postmetafysische vrijheid zowel persoonlijk als conceptueel te schrijven. Het is in dit opzicht interessant om te zien dat het oneigentijdse artikel over het oude werk (eind jaren zestig, begin jaren zeventig) van de Vlaamse televisiemaker Jef Cornelis in dit themanummer van Open geschreven is door auteurs uit De Witte Raaf stal, Koen Brams en Dirk Pültau. Het zou spannend zijn als Open een directe confrontatie zoekt met de ‘andere’ theoriepraktijk.