Feature —

Wie is Guus Beumer?

Marina van den Bergen, Piet Vollaard

Wat is Guus Beumer, de nieuwe directeur van NAi Maastricht, van plan met die toch wel lastige ruimte? En wat heeft voedsel met olie en architectuur te maken? ArchiNed ging het vragen.

Met het beeld van Cuypers tot Coenen, de vaste opstelling van NAi Maastricht, nog op het netvlies, komen we de zolderverdieping van de Wiebengahal op. Verbazing. Het gestileerde glooiende Limburgse landschap is veranderd in iets dat het midden houdt tussen een low-tech plantenkas, een volkstuin en een vrolijk biologisch tuincentrum. Tussen de pergola’s en tuinhuisjes van Gamma-latjes en transparant landbouwplastic, en nu al gedomineerd door het groen in de plantenbakken, liggen zowaar nog wat prints van architectuur. Met de komst van de nieuwe directeur Guus Beumer is er iets veranderd in het NAi Maastricht, zoveel is duidelijk.

Het interview vindt plaats in het museumcafé, tevens bedrijfskantine van ontwikkelaar Vesteda. Het is lunchtijd, het gerinkel van kopjes en borden vermengt zich met het geluid van getimmer en gezaag; de tentoonstelling De Eetbare Stad opent de volgende dag.

Wie is Guus Beumer?

Ik ben een planterskind, geboren in 1955. Mijn moeder is de dochter van een 78-jarige Franse antroposoof en een 17-jarige schone uit de dessa. Mijn vader komt uit een Nederlandse, beetje regenteske familie die connecties had met de koloniën. Mijn ouders behoorden tot de groep mensen die niet uit Indonesië weg wilde. Pas toen hun vrienden bij wijze van spreken werden onthoofd, zijn we naar Australië gegaan. Dat was geen succes, mijn vader kon geen werk krijgen. Uiteindelijk zijn we naar Nederland verhuisd. Hier heeft mijn vader zich laten omscholen tot docent land- en tuinbouw. Nou je ziet ‘t (wijst met een grote grijns en een breed armgebaar op de kweekbakken van de tentoonstelling): planterskind, vader docent land- en tuinbouw, dan krijg je zoiets.

Studie?

Op de hbs wilde ik niet deugen en werd daarom naar de mavo gestuurd, om vervolgens via de havo op de sociale academie te belanden. Uiteindelijk ben ik andragogie gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Tijdens die studie ben ik langzamerhand wakker geworden. Ik ben gered door een aantal vrienden, zoals je altijd wordt gered door vrienden. In die tijd werd de universiteit nog gedomineerd door het marxistische denken. Rond 1980 deden de Franse (post)structuralisten hun intrede in de Nederlandse academische wereld. Wij behoorden tot die groep studenten die op hun zolderkamer de Fransen begonnen te vertalen. Het was een poging om het zogeheten ‘valse bewustzijn’ waarmee we allemaal zo opgescheept zaten, van ons af te schudden.

En na je studie?

Toen ik de universiteit verliet bleek er helemaal geen werk te zijn. Daar stond ik met al mijn studievrienden voor de ingang van de omscholingscursus informatica. Dat leek mij dus helemaal niets. Gelukkig bleek ik nogal gemakkelijk te kunnen schrijven en had ik tijdens mijn studie een redelijk begrippenkader opgebouwd; ik kon denken vanuit verschillende culturen en  denksystemen. Het bood me een inhoudelijk perspectief dat ik gemakkelijk op andere disciplines kon projecteren. In de mode werd er op dat moment alleen een formele taal gebezigd en er was ook geen kritische traditie. Daar werd nog gesproken over constructie en detaillering, over de roklengte. Ik vond het interessant om over de systematiek van de mode te schrijven; welke positie de ontwerper inneemt; hoe het idee van ‘het nieuwe’ wordt georganiseerd; welke rol de show in het geheel speelt. Een dergelijke invalshoek bood mij een vrij unieke positie.

Het was ook een periode waarin de aandacht naar het oppervlak verschoof. Die Freudiaanse diepte, die fixatie op een zelf, was eigen aan de jaren zeventig. De jaren tachtig was eerder aan Nietzsche, aan Foucault; het dansen over de oppervlakte. En de mode was in mijn ogen de ultieme oppervlakte, letterlijk en figuurlijk.

Van theorie en reflectie ben je overgestapt naar de praktijk, je werd partner van Alexander van Slobbe.

Na een paar jaar over mode geschreven te hebben vond ik het interessant om daadwerkelijk onderdeel van de modewereld uit te gaan maken. Mode was bovendien van een ongrijpbare markt opeens de ultieme werkelijkheid geworden; alles leek aan de systematiek van de mode te zijn onderworpen. Dus ik dacht, laten we met mijn filosofische achtergrond eens door die nieuwe werkelijkheid heenlopen. Ik associeerde me met Alexander van Slobbe. In 1993 startten we met het label SO. Toen begon de ellende, we kregen succes.

Ik weet eigenlijk tot op de dag van vandaag nog steeds niet wat ik nu precies heb gedaan, en dat was ook wel weer het leuke. Ik regelde van alles: shows, tentoonstellingen, contacten, pers, zakelijke dingen, deed wat me nuttig en verstandig leek. De rollen waren helder; ik kan nog geen draad in een naald stoppen, en je moet Alexander niet vragen om iets te zeggen of op te schrijven. Hij nam nooit iets serieus als het om contacten of zakelijke dingen ging, hij verzet zich tegen ieder idee van hiërarchie en dat was ook wel eens gekmakend.

Voor mij was dat bedrijfje spelen op een gegeven moment wel genoeg. Het waren jaren van uitbundige excessen, maar ik zat voor mijn gevoel permanent in het vliegtuig en moest me dagelijks aan idiote agenda’s onderwerpen: kwart over acht ontvangst hier, half negen receptie daar, tien over negen dingetje zus, half tien dingetje zo…. Misschien dat sommigen daar gelukkig van worden, maar ik niet. Ik vond het een heel leuk spel, maar na een aantal jaren had ik het wel gezien.

Chicago: bijenkorven op het dak van het stadhuis (beeld uit de tentoonstelling De Eetbare Stad)

Je landde in Maastricht.

Ik werd gevraagd om met een beperkt budget mee te werken aan een artistiek plan voor de doorstart van Marres, een centrum voor beeldende kunsten in Maastricht. Daarna werd ik gevraagd om directeur te worden en het plan zelf uit te voeren. Het is een interessante positie. Ik vind het leuk om te gaan nadenken over die nieuwe functie voor zo een lokale instelling. De legitimiteit van dergelijke plekken staat zwaar onder druk, zeker in een periode dat publieksaantallen zo’n overheersende eis zijn geworden. Het museum is natuurlijk al lang onderdeel geworden van een totale marketing mix; neem een MOMA in New York met de meest succesvolle retailspace van onze tijd. Plekken als Marres hebben tot nu toe in de luwte van de markt kunnen opereren, maar hoe nu verder..? Ik ga mogelijk nogal respectloos om met de ‘oude witte doos’ van de tentoonstellingsruimte en probeer om letterlijk met de plek zelf iets te doen, met het prachtige oude huis waarin Marres gevestigd is. Tegelijkertijd vind ik het noodzakelijk om juist op zo een moment na te gaan denken over het klassieke verlichtingsideaal van de culturele instellingen, in hoeverre de oude opdracht van een kritisch moment nog legitiem is of dat inmiddels de consument en zijn atmosferische verlangens domineert.

En toen belde NAi directeur Aaron Betsky.

Ja, toen werd ik inderdaad gebeld door Aaron: ‘jij zit toch al in Maastricht en werkt maar twee dagen, heb jij geen zin om de opengevallen post als directeur van de NAi Maastricht in te vullen?’ Dat leek me wel wat, ook omdat ik mij dan zowel met kunst in Marres, als met architectuur en design in het NAi mocht bezighouden.

Bij mijn aanstelling begin november van het vorig jaar, werd ik geconfronteerd met een instituut dat net geopend was. Mij vielen twee dingen op: de infrastructuur van deze plek is die van een kunsthal, er is geen collectie en er is geen depot – althans niet hier in Maastricht, maar de personele bezetting is die van een mini-instituutje; je hebt een artistiek tiepje, moi, een zakelijk leider, Noelle Kemmerling en iemand voor dit en iemand voor dat. En het maakt onderdeel uit van een groot instituut, zij het in een uitzonderlijke positie, want het NAi Maastricht wordt voor een flink deel gefinancierd vanuit de particulier sector. Verder is de situatie ook wat betreft zalen gespleten: op de begane grond bevindt zich een klassieke, museale expositieruimte voor wisseltentoonstellingen en er is een prachtige bovenzaal waar juist een vaste opstelling stond. Dus ik dacht, is deze enigszins schizofrene situatie nu een probleem of is dit een kans?

En?

Een kans natuurlijk! Ik heb besloten om al werkende te gaan ontdekken wat het NAi Maastricht is of zou kunnen zijn. We gaan dat in een aantal modellen, zakelijk en inhoudelijk, onderzoeken. De onderzoeksperiode duurt twee jaar, zo lang duurt mijn aanstelling en zo lang is er voorlopig geld. Aan het eind van die twee jaar komt er een witboek waarin staat wat de kansrijke en minder kansrijke opties voor dit instituut zijn.

Omdat de vaste opstelling op de bovenverdieping toch moest veranderen – de spil van de tentoonstelling, een grote maquette, moest terug naar de bruikleengever – heb ik deze kans aangegrepen om in de bovenzaal een eerste inhoudelijk ‘experiment ‘uit te voeren. Dat is de huidige tentoonstelling De Eetbare Stad geworden.

volkstuin, Havanna, Cuba (beeld uit de tentoonstelling De Eetbare Stad)

Wat is de boodschap van De Eetbare Stad?

We zijn gaan overdenken wat de politieke agenda van dit moment zou kunnen zijn. Want is het niet interessanter om een maatschappelijke vraagstelling aan de orde te stellen van waaruit de verschillende concepten en disciplines elkaar zouden kunnen ontmoeten, in plaats van als representatiemachine te gaan fungeren voor het veronderstelde talent van een aantal ontwerpers? Aaron had al eens bedacht om ´iets met voedsel’ te gaan doen. Hij dacht vooral aan eten als sociaal ritueel, aan de huidige interesse voor foodstyling, daar zag ik weinig in, tenminste niet als openingstentoonstelling in het kader van de creatieve industrie van een nieuwe directeur. Ik ben mij toen gaan inlezen en het is me toch een interessant terrein zeg! Wisten jullie bijvoorbeeld dat Nederland de derde voedselexporteur van de wereld is. Als je alleen al de spin-off ziet van die industrie! Dat heeft effect op allerlei gebieden, ook op planning, architectuur, design en infrastructuur. Ten tweede worstelt onze tijd met voedselveiligheid en voedselzekerheid. Voedselveiligheid is met name actueel vanwege de discussies rond genetische manipulatie. Voedselzekerheid is niet alleen een primair probleem in ontwikkelingslanden, maar ook voor ons in het rijke westen. Ons voedsel is permanent onderweg, we vervoeren het van hot naar her. We consumeren het al lang niet meer op de plaats van productie. Een stad als Maastricht heeft maar voor drie dagen voedsel ‘in huis’! Ons idee van voedselzekerheid is daardoor volledig relatief en helemaal gebaseerd op – en nu kom ik op de kern van de tentoonstelling – de aanwezigheid van olie, olie voor productie, om onze kassen te verwarmen bijvoorbeeld, olie voor het transport om het over alle hoeken van de wereld te distribueren, olie om het in onze keukens te bereiden. Food is Fuel, Food is Oil!

OK, maar waarom is dat juist nu actueel?

De Eetbare Stad is samengesteld door Debra Solomon, Anneke Moors en Hans Ibelings. Debra Solomon kwam met het verhaal over ‘peak oil’. 2007 is het jaar dat we de helft van de bekende voorraad fossiele brandstoffen hebben opgemaakt. Vanaf nu zullen we ons gedrag en onze houding ten aanzien van het gebruik daadwerkelijk moeten veranderen. We kunnen onze ogen niet langer sluiten voor dit probleem. Als je dan weet dat de relatie tussen olie en voedsel volstrekt symbiotisch is, dan weet je ook dat de verminderde olievoorraad grote consequenties heeft voor de voedselproductie en -distributie. Oliecrisis = Voedselcrisis.

Hoe vertaalt zich dit in architectuur?

De tentoonstelling toont een groot aantal pragmatische voorstellen en utopische plannen voor steden en stedelingen om in hun eigen voedselbehoefte te voorzien, van MVRDV’s Pig City en Agroparken tot de urban agriculture die Havana na de ineenstorting van de Sovjet-Unie heeft moeten ontwikkelen. Maar deze tentoonstelling stelt toch vooral de kwestie zelf aan de orde. Het is eerder een begin dan een eind, het stelt meer vragen dan het oplost, het is een onderzoeksmodel. Er zijn veel discussies die je aan de hand van dit thema kunt voeren. Moeten we als Nederland wel wereldvoedselproducent blijven? De FAO zegt daarover: laten landen als Nederland alsjeblieft voedsel blijven produceren, want dat gebeurt hier duizend keer efficiënter dan in China. Als die efficiënte productie wegvalt, dan weet je dat je grote problemen met de wereldvoedselvoorziening krijgt.

Daartegenover staat de ethische vraag van het grondloze boeren. Een van de opties is – en daar richt de tentoonstelling zich met name op – dat als we de voedsel-olie keten willen doorbreken, de stad zelf weer een plek moet worden waar voedsel wordt geproduceerd.

We worden vandaag de dag alleen nog maar aangesproken als consument. Ik ben ervan overtuigd dat als we als burger zouden worden aangesproken, als een rationeel denkend mens die bereid is om de consequenties van zijn eigen daden te overzien en naar dit inzicht te handelen, dat we dan al lang nee hadden gezegd tegen de huidige manier waarop er met voedsel wordt omgegaan. Over die vraag, en vervolgens hoe we op die actualiteit met architectuur en stedenbouw kunnen reageren, daar gaat deze tentoonstelling over.

Wat kunnen we in de toekomst nog meer verwachten in NAi Maastricht?

Deze onderzoekende tentoonstelling is één van de zes modellen. De volgende expositie over Prouvé onderzoekt de betekenis van een ingekochte tentoonstelling. Het gaat dan veel meer over wat normaal onzichtbaar blijft, de bedrijfsvoering. Wat betaal ik er voor? Hoe zitten de contracten in elkaar? Is er interessante spin-off te bedenken? En werkt zo een 100 jaar gecanoniseerde naam nog? Kun je daar nog op inzetten of heeft de media zoiets van: Goh, die tentoonstelling hebben we al in Bazel gezien en dan gaat ook nog naar Parijs, laten we Maastricht maar over slaan.

Over twee jaar is er een nieuwe cultuurplanperiode. Dat wordt een lastige discussie, want Raad voor Cultuur heeft bijvoorbeeld vraagtekens gezet bij de NAi-dependance in Maastricht. Ik ben benieuwd of ik meerwaarde kan produceren die de Raad, maar ook de provincie Limburg, de gemeente Maastricht en natuurlijk Vesteda en andere private partijen overtuigt van ons bestaansrecht. Er komen hier trouwens behoorlijk veel bezoekers, dat heeft me verbaasd, maar ik hoop toch niet dat ik wordt afgerekend op bezoekersaantallen. En wanneer dat wel het geval is: Let’s get the blockbusters in!