Feature —

Misbruik de bouwfysicus

Frido van Nieuwamerongen

De tijd dat architecten iets bedachten en de andere adviseurs aanschoven is al lang voorbij, aldus NAi-adjunct-directeur Patrick van Mill. Daarom krijgen in de lezingenserie bouw@nai niet architecten maar andere spelers in het bouwproces het woord. Op 15 maart sprak Paul van Bergen. Zijn advies: ‘Misbruik de bouwfysicus’.

Paul van Bergen werkzaam bij adviesbureau DGMR, begon ooit als architectuurstudent  aan de TU Eindhoven, ‘maar bij het ontwerpen van een kindermeubel ging het al mis'. Hij maakte zijn opleiding aan de TU nog wel af, maar als bouwfysicus.

‘Wat doet een bouwfysicus eigenlijk?’ is een veel gestelde vraag aan Van Bergen. ‘De meest mensen denken dat bouwfysici sommetjes maken, dauwpunt uitrekenen,  EPC berekeningen maken of geluidsnormen vaststellen. ‘Mis. Wij rekenen niet veel. Bouwfysici ontwerpen vooral klimaatconcepten voor gebouwen.’ Althans dat is de ambitie van Van Bergen zo blijkt uit zijn voordracht. ‘Momenteel worden bouwfysici voor zeer uiteenlopende vraagstukken ingeschakeld. Wij zijn het afvoerputje van de adviseurswereld’ constateert van Bergen smalend, ’als anderen er niet uitkomen, stapt men naar de bouwfysicus. Voor brandveiligheid bijvoorbeeld. Vroeger werd dat door de brandweerdiensten gedaan, met als gevolg veel willekeur. Nu wordt meestal een bouwfysicus ingeschakeld om het brandgedrag vast te stellen.’

Van Bergen beseft dat de veelheid aan onderwerpen waar een bouwfysicus thans mee te maken heeft, het beeld vertroebelt op de mogelijkheden van zijn vak. Hij is dan ook voorstander van een veel duidelijker focus op de essentie van het vak: het bedenken van klimaatconcepten voor gebouwen. ‘Een bouwfysicus moet zich ontwikkelen van een superspecialist naar een generalist: een klimaatgeneralist wel te verstaan. Niet langer het middel, de installatie, staat centraal maar het doel, het klimaat. Klinkt simpel, maar er zijn er maar weinig die het oppakken’

Een voorbeeld, de nieuwbouw van de  RDMZ (Rijksdienst monumentenzorg) in Amersfoort. Dit gebouw, ontworpen door Navarro Baldeweg, krijgt een groot atrium aan de zuidkant van het gebouw. In plaats van het atrium traditioneel als een verlengde binnenruimte te beschouwen wordt het nu benut als één enorm luchtkanaal. De in de glasspouw opgewarmde lucht wordt in het atrium gevoerd en vervolgens getransporteerd naar de kantoorkamers. Het klimaatprincipe wordt hier ingezet om het atrium als een onlosmakelijk onderdeel van het klimaatconcept te maken en kan daarom niet meer wegbezuinigd worden.

Het lijkt logisch dat installatieadviseurs met dergelijke oplossingen komen, maar dit gebeurt zelden. Van Bergen verwijt het de installatieadviseurs dat ze zich te veel blijven richten op technische oplossingen. Hij beseft echter ook dat het met de opleidingen heeft te maken. ‘In Eindhoven komen de bouwfysici nog in aanraking met ontwerpers, bij de rest van de opleidingen worden ze vooral als technici opgeleid’. Hij merkt dat hij nu toch veel profijt heeft van zijn studie aan TU Eindhoven en zijn flirtatie met architectuur.

Bouwfysici die conceptueel denken kunnen goed in een team met architecten en andere adviseurs samenwerken. Deze samenwerkingsteams komen tot kwalitatief goede gebouwen en kunnen in zijn ogen ook een tegengewicht bieden tegen de door hem verfoeide build-and-construct werkvormen waar ontwerpers vooral tegen elkaar uitgespeeld worden en de focus op kostenreductie ligt.

DGMR werkt al vaak in teamvorm aan zowel binnen- als buitenlandse projecten. Zoals in Maputo, waar de beglazing van de Nederlandse ambassade, ontworpen door Claus en Kaan, met dubbelglas werd uitgevoerd om de warmte buiten te houden. Waarschijnlijk is het het eerste project in het hete en vochtige Maputo met dubbel glas. Niet om de condensvorming aan de binnenkant te voorkomen maar aan de buitenkant, een veel voorkomend probleem in deze stad.

En dan is er nog het CO2 verhaal. Sinds de aandacht van Al Gore voor het klimaat staat de telefoon bij DGMR roodgloeiend. ‘Het lijkt wel of iedereen nu een CO2 vrij gebouw wenst’, verzucht Van Bergen. Hij wijst erop dat CO2 reductie niet alleen met energiezuinigheid heeft te maken maar ook met energie-efficiency en het duurzaam opwekken van de stroom. ‘Twee gebouwen met dezelfde energieprestatiecoëfficiënt (EPC) kunnen toch een groot verschil in CO2-uitstoot hebben, tot wel het drievoudige. De CO2-uitstoot is vooral afhankelijk van energie-efficiency en de wijze van energieopwekking.’Van Bergen hamert er daarom op om iedere keer naar de hele energiecirkel te kijken en niet alleen naar het verbruik.

Terloops ontzenuwt hij nog een ander fabeltje over CO2 reductie: met bomen lukt het je nooit de CO2 in te vangen. Voor een energiezuinig  kantoor van 10.000 m2 (1 hectare)  is een bos van 139 hectare  nodig om het  CO2 in te vangen, ruim drie 3 keer het Amsterdamse Vondelpark. ‘Die paar bomen die bij elk duurzaam ontwerp in het atrium staan doen er echt niet toe’.