Feature —

Werken aan het publieke domein

Lara Schrijver en Deborah Hauptmann

Architectural Positions is een serie seminars aan de TU Delft waarin het publieke domein op allerlei manieren ondervraagd wordt in haar relatie tot architectuur en de moderniteit. De gekozen vorm geeft ruimte aan twee architecten om hun eigen positie op een thema toe te lichten, met een introductie vooraf op het thema, gegeven door verschillende eminente denkers en architecten. Op donderdag 22 maart was de beurt aan Felix Claus en Kas Oosterhuis om hun ideeën over ‘tijd’ en het publieke domein toe te lichten met een introductie door René Boomkens.

De verschillende manieren waarop ‘tijd’ zich manifesteert in de architectuur is een belangrijk thema geweest in het modernisme. De moderniteit wordt doorgaans gezien als een tijdperk getekend door snelheid, technische innovaties en continue verandering. De architectuur wordt daarin vaak gekarakteriseerd als vehikel van de mobiliteit en snel opeenvolgende transformaties, of juist als een tegenwicht, de laatste vesting van stabiliteit en het collectieve geheugen. Door Felix Claus en Kas Oosterhuis tegenover elkaar te zetten gaf de organisatie een duidelijke aanzet tot het contrasteren van een zoektocht naar architectonische tijdloosheid versus de snelheid en eigentijdsheid van digitaal-georiënteerd ontwerpen. Dit onderdeel van het thema werd echter betrekkelijk weinig aangesneden.

In de introductie van René Boomkens kwam vooral het publieke domein en haar relatie tot de publieke ruimte aan bod, met referenties aan Hannah Arendt, Jürgen Habermas en Richard Sennett. Ook binnen het architectuurdebat wordt vaak verwezen naar het gedachtengoed van deze denkers, maar Boomkens probeerde juist het onderscheid tussen het publieke domein als idee en de publieke ruimte als fysiek gegeven scherp te houden. Hij merkte (terecht) op dat architecten deze twee met enige regelmaat verwarren.

Vervolgens gaf Felix Claus aan dat hij alleen als (Nederlandse) architect kon spreken, en toonde verschillende projecten. Het Nederlandse in zijn werk relateerde hij aan een maatschappelijk ideaal van gelijkheid en een nuchtere houding ten opzichte van de geschiedenis. Daarbij stelde hij dat wij in Nederland toch al weinig notie hebben van traditie, gezien de meeste gebouwen in dit land maar enkele jaren blijven bestaan. Met een verwijzing naar de sloop van de Bijlmermeer merkte hij ook op dat Nederlandse architecten niet bang zijn om eerdere fouten uit de geschiedenis te herstellen. Toch vond hij wel dat de architectuur een verantwoordelijkheid heeft in het waarborgen van continuïteit.

Helaas kon Oosterhuis zelf niet aanwezig zijn, maar hij werd vervangen door Marthijn Pool van zijn bureau ONL, met wat ondersteuning van één van de onderzoekers van Oosterhuis aan de TU Delft. Deze presentatie bleef met name op het werk van het bureau gericht, waarbij het thema van de tijd niet centraal stond, maar soms aan bod kwam via het ontwerpproces en de mogelijkheden van nieuwe technologieën. Met name het incorporeren van ‘realtime’ in het ontwerpproces gaf hier aanleiding toe. In de presentatie werd uitgelegd hoe de ontwerpmethode van het bureau de ruimte geeft om veranderingen die worden ingevoerd tijdens het ontwerpproces, meteen hun effecten op de rest van het ontwerp te laten tonen. De gevolgen van elke wijziging worden zo versneld zichtbaar.

Tijdens de discussie werd getracht verschillende aspecten van de tijd weer expliciet te maken, van de longue duree van Rossi, tot het onderscheid van Boomkens tussen historische continuïteiten en een voornamelijk hedendaagse ervaring van discontinuïteiten. Maar de taaiheid van het thema voor de architectuur bleef ook voelbaar. Via de discussie introduceerde Claus de problematiek van ‘nieuwheid’ en tijdloosheid. De architect moet niet ‘gebonden’ worden door continuïteit en historische identiteit. De lange duur van de geschiedenis is natuurlijk een vanzelfsprekende manier waarop ‘tijd’ zich manifesteert in architectuur. Maar doordat Claus een ‘ongebondenheid’ claimde voor de architect werd het thema ‘tijd’ even herleid tot een vraagstuk van innovatie en originaliteit. Vanuit het publiek werd daarbij wel de vraag gesteld of dat geen schijndiscussie is, of niet bijna elke ‘nieuwe’ uitvinding wel te herleiden is tot historische voorbeelden. Slechts heel sporadisch wordt er iets daadwerkelijk nieuws gemaakt.

Uit dit deel van de discussie bleek ook hoe moeilijk het is om greep te krijgen op wat de betekenis is geweest (of kan zijn) van tijd voor de architectuur en het publieke domein, ondanks de moeite vanuit de organisatie om de thematiek specifiek te houden. Vreemd genoeg bleek de meest interessante vraagstelling van de avond dan ook in iets geheel anders te liggen: Claus bracht in zijn presentatie de problematiek van het werken voor fascisten en dictators aan de orde. Hij vond het shockerend om architecten zoals Rem Koolhaas te zien bouwen voor een regime als dat van China. Dit zijspoor van ‘temporaliteit’ naar de ethiek van de architectuurpraktijk deed denken aan de bijeenkomst een week ervoor, met lezingen rond het thema ‘beeldvorming’ en openbare ruimte van Léon Krier en Michiel Riedijk, met een introductie van Lieven de Cauter. Die avond bleek de belangrijkste vraag niet zozeer in ‘het beeld’ te liggen, maar in het thema duurzaamheid. Léon Krier en Michiel Riedijk kwamen ieder op een eigen manier in hun presentatie terug op het probleem van duurzaamheid in de huidige architectuurparktijk. Zo hebben deze beide sessies al andere vragen aan de oppervlakte gebracht dan de thema’s die centraal werden gesteld.

In die zin lijkt de Architectural Positions-serie een vehikel te worden voor iets anders, voor dringende hedendaagse vragen over waarden. Niet een ‘normen-en-waarden’ discussie, maar eenvoudigweg vragen als ‘waar moeten wij ons mee bezig houden, wat is het goede, en hoe geven wij dat vorm?’ Juist in deze vraagstelling over de gemeenschappelijke kaders van het maatschappelijk handelen is het publieke domein dan ook zichtbaar in de serie. Of dat nu schuilt in een bewustzijn van onze ingrepen ten opzichte van de omgeving en het milieu, of in een bewustzijn van de moeilijke morele dilemma’s waar een architect voor kan staan, bijvoorbeeld wat betreft het soort opdrachtgever waar hij voor werkt. Hierin ligt ook de vraag besloten: ‘waarvoor is de architect verantwoordelijk?’ In deze seminars worden niet de verschillende definities of  manifestaties van het publieke domein ondervraagd, maar juist de middelen en strategieën waaruit zij is opgebouwd. Uiteindelijk gaat het hier niet zozeer om seminars over architectuur en het publieke domein, maar wordt de serie zelf een uiting van het publieke domein: een sfeer van discussie en vraagstelling, in dit geval over hoe wij willen dat onze wereld eruit ziet en hoe wij denken dat te kunnen bereiken. Nu de publieke ruimte nog.