Feature —

Alternating Programmes and Practices

Stan van der Maas

De seminars van Architectural Positions kennen een klassieke opbouw: één deskundige en twee architecten laten hun licht schijnen over een gekozen thema en vervolgens wordt hierover gedebatteerd. Op 26 april kwamen Patrick Healy, Rients Dijkstra en Antonio Monestiroli naar Delft en spraken over de trage tijdspanne van de architectuur in een steeds sneller veranderende wereld.

De organisatie verricht voor elke aflevering het nodige voorwerk. Ook deze avond was tot in detail voorgekookt waarover de sprekers met elkaar van mening moesten verschillen. Ditmaal beloofde Antonio Monestiroli’s inzet van bestaande typologieën en eenvoudige vormen flink te botsen met het pragmatisme van de Nederlandse architectuur in zijn geheel en – bij afwezigheid van Koolhaas – stand-in Rients Dijkstra in het bijzonder. Huisfilosoof van de faculteit bouwkunde Patrick Healy, die 24 uur eerder was gevraagd John Habraken te vervangen, introduceerde het thema.

Althans, dat was de bedoeling, maar meer dan in de problematiek van de traagheid was Healy geïnteresseerd in het begrip collision; in de meer fundamentele vraag of de ideeën en gedachten van de architect zich überhaupt kunnen handhaven in confrontatie met de harde realiteit. Later zou blijken dat de realiteit en de onderliggende vraag wat dat precies is inderdaad het thema van de avond was, maar vooralsnog had Healy meerdere collisions te overwinnen. Hij vond het begrip in verschillende gedaantes terug bij Abraham (een Oostenrijkse architect), Affleck (de Canadees), Asplund (de Zweed) en Archigram. Niet toevallig allemaal architecten met een A, verder was Healy na een nacht lezen niet gekomen in zijn boek dat dateert uit 1980. De architectuurtheoretische beschouwing mondde uit in enkele citaten van Heidegger en een weergaloze slotzin over het lot van de architectuur gevangen te zijn tussen Eeuwigheid en Apocalyps.

Rients Dijkstra gaf een toelichting op enkele projecten van zijn bureau Maxwan. Steeds vaker wordt de ontwerper gedwongen in het ontwerpproces ruimte te bieden aan programmatische verandering. Het Masterplan Leidsche Rijn (1994) legt daarom niet de conventionele structuur van hoofdwegen, straatprofielen en bebouwingsvlakken vast, maar een alternatieve reeks stedelijke kwaliteiten genoteerd in diagrammen: gemengd versus monotoon programma, hoge versus lage dichtheden, gegroepeerde versus verstrooide bebouwingstypologieën, welstandscontrole versus vrijheid, et cetera. Leidsche Rijn krijgt inmiddels vorm en wel precies volgens de regels en vrijheden van het Masterplan, meldde Dijkstra.

In de naoorlogse woonwijk Hoogvliet (Rotterdam) vindt ad hoc sloop, renovatie en nieuwbouw plaats zonder dat wordt nagedacht over de bestaande kwaliteiten van de wijk. WiMBY! schakelde Maxwan in. Door vier eigenschappen te benoemen en de keuze open te laten of deze kwaliteit wel of niet versterkten moet worden, genereerde het bureau 24 toekomstscenario's voor Hoogvliet. Het sturen van kwalitatieve verandering is de inzet van Dijkstra, de precieze keuze laat hij over aan de bestuurders.

Na de pauze hield Antonio Monestiroli een voordracht over architectuur, realiteit, verwondering en verbeelding. Prachtige begrippen, ondersteund door even poëtische foto's van zijn project voor een begraafplaats. De professor uit Milaan sprak in gedragen formuleringen: “Architecture is implementation of reality and staging of its meanings. With architecture it is possible to evoke that magic that is hidden in our life, which architecture makes visible and lasting in time.”  Voor Monestiroli manifesteert architectuur zich in 'het huis, het theater, het museum,' veel verder kwam hij helaas niet. Commerciële architectuur werd afgedaan als een architectuur van ontsnapping (escape). Zoveel conservatisme in een seminar over de veranderende architectuurpraktijk was op zijn zachts gezegd verrassend.

Na de spreekbeurten zou een debat volgen en je voelde de collision al aankomen. Maar de heren waren vanavond zover van elkaar verwijderd, dat van een discussie nauwelijks sprake was. Monestiroli borduurde voort op zijn eigen begrippenapparaat, op architectonische vorm 'that represents a real sense of the building.' Dijkstra weigerde te accepteren dat deze diepe betekenis door de archiect kan worden vastgesteld, en vervolgens voor iedereen geldig is. Healy leverde Monestiroli's enig mogelijke verweer:“that is not a problem when you are building a graveyard.”  Ook de twee moderators kregen geen vat op de discussie.

Toch blijft de inzet van de organisatie interessant. Het is verdedigbaar dat beide architecten op zoek zijn naar manieren om de 'realiteit' van verval en verandering het hoofd te kunnen bieden. Monestiroli kiest voor autonomie in vorm, materiaal en compositie. Hij creëert een eigen (classicistisch) referentiekader en bakent daarmee zijn een eigen 'realiteit' af, beschermd van de buitenwereld. Een grotere escape kan ik me niet voorstellen. Op zijn beurt is ook Dijkstra op zoek naar kwaliteiten en vormen die de confrontatie met de werkelijkheid kunnen doorstaan. In de dagelijkse praktijk van de architect is die werkelijkheid echter een andere: het ontwerpproces met alle economische en politieke krachten die daarop inbeuken. Dijkstra toonde alternatieve manieren om kwaliteit zichtbaar te maken en keuzes te maken. Niet alleen, maar samen met gebruiker, beleidsmaker, opdrachtgever. Om dit te bereiken maakt hij strategisch gebruik van indexen, diagrammen en scenario's. Dijkstra is daarmee veel meer een 'realist' dan Monistiroli 'de dromer' claimt te zijn.