Recensie —

De stad een school

Mieke Dings

Als een plek om contact te maken, te onderhandelen en elkaars standpunten te slijpen – zo ziet Herman Hertzberger de stad, en zo wil hij dat de talloze door hem ontworpen scholen fungeren. Op de tentoonstelling Hertzbergers Amsterdam, georganiseerd door architectuurcentrum ARCAM ter ere van zijn 75ste verjaardag, zijn er verschillende te zien.

Hertzberger staat bekend om de manier waarop hij vorm heeft gegeven – en nog altijd geeft – aan een nieuw, minder klassikaal onderwijssysteem, zoals zich dat vanaf de jaren zeventig onder invloed van onder anderen Maria Montessori heeft ontwikkeld. In zijn scholen ligt de nadruk niet zozeer op het leren uit boeken en volgens methodes. Hij schept ruimtes waar de leerlingen spelenderwijs van elkaar en van de buitenschoolse wereld kunnen leren. Daarom beschikken zij vrijwel allemaal over een grote centrale ontmoetingsruimte die de vervoersfunctie van de gang overneemt en tegelijkertijd ruimte biedt aan talloze andere activiteiten. Zo is de aula van de school De Eilanden in de Grote Bickersstraat (1996-2002) zowel gymnastiekruimte, speelruimte als muziekruimte en maken schuifdeuren contact tussen aula en klaslokalen mogelijk.

In totaal bouwde en herbouwde Hertzberger ongeveer twintig scholen, een prestatie die hem tot éminence grise van de Nederlandse scholenbouw maakt (zie het recent verschenen OASE nummer over scholenbouw). Het is dan ook niet verwonderlijk dat ongeveer de helft van de tentoonstelling in ARCAM uit deze ontwerpen bestaat. Ze worden gebroederlijk naast elkaar op één tafel getoond. Ontwerptekeningen, maquettes en foto’s illustreren Hertzbergers zoektocht naar een nieuw type school. De lokalen met diverse open verbindingen, de trap als tribune (zoals in de twee Apolloscholen in Oud Zuid, 1980-1983) en de grote, multifunctionele centrale hal vormen hierin de telkens terugkerende elementen. In de loop der jaren ontwikkelde Hertzberger verschillende middelen om deze constanten te versterken, zoals flexibele deuren, uitklapbare tafels enzovoorts.

De meest in het oog springende verandering tussen de vroege en recente schoolontwerpen zit in de vormentaal. De grove betonsteen en blokachtige structuren uit de beginperiode maakten plaats voor glas, aluminium en hout in ruimer vormgegeven volumes. Deze verandering is ook zichtbaar in de andere projecten die ARCAM toont. Zet het recentelijk opgeleverde golvende hoofdkantoor voor het Waternet aan de Amsteloever (2000-2005) maar eens naast de vroege en inmiddels afgebroken fabrieksuitbreiding voor de Linmij in Bos en Lommer (1962-1964). De essentie van de gebouwen – een daglichtverlichte, open werkruimte waarin mensen op een makkelijke manier met elkaar in contact komen – is gelijk. Maar het verschil tussen het grote gebaar dat de twee hoge dwars op elkaar staande volumes van het Waternet maken en de kleinschalige, blokachtige uitbreiding van de Linmij kon niet groter zijn.

1. De Drie Hoven
2. Bijlmermonument
3. Maquette Stadhuis 1967

Het Linmij project toont de structuralistische vormentaal die Hertzberger ook in het bekende Centraal Beheer complex tentoonspreidde. De losse ordening van geometrische volumes maakt deze gebouwen ongedwongen en non-hiërarisch, en laat voldoende ruimte voor toe-eigening door de gebruikers. Al in de jaren vijftig had Hertzberger als redacteur van het tijdschrift Forum zijn interesse voor een meer humane architectuur onder de aandacht gebracht. Zijn contacten met Aldo van Eyck maakten dat hij tevens enkele Team 10 bijeenkomsten bijwoonde. Het was dan ook vanzelfsprekend dat Hertzberger ook een rol speelde in de Amsterdamse stadsvernieuwingsoperatie, waarin, na de naoorlogse grootschalige kaalslag en cityvorming, het bouwen voor de buurt opnieuw centraal werd gesteld. Een respectvolle herstructurering met behoud van woonfuncties stond daarbij voorop. De tentoonstelling toont onder andere het plan dat Hertzberger inzond voor de vernieuwing van de Nieuwmarktbuurt (1970), waarin hij drijfhuizen voorstelde als tijdelijke oplossing voor de gedupeerde bewoners. Zo konden zij tijdens de afbraak en opbouw toch deel uit blijven maken van hun eigen buurtje. Dit plan haalde het niet, maar enkele jaren later werkte Hertzberger wel het stadsvernieuwingsproject de Haarlemmer Houttuinen (1978-1982) uit.

De bevlogenheid spat in deze projecten van het papier. De Hertzbergiaanse krabbels in een klein, druk handschrift met vele kleine tekeningetjes en bij elkaar geknipte voorstellen, passen goed in het beeld van de roerige jaren zeventig. Foto’s van gerealiseerde projecten – vrijwel altijd met mensen erop, net als Hertzbergers tekeningen – doen de rest. Ze tonen vrolijk etende en pratende studenten in Hertzbergers allereerste project, de studentenflat aan de Weesperstraat (1959-1966), waar de brede luchtstraten met banken functioneren zoals ze bedoeld zijn. Ook de beelden van het gezellige straatleven in de woningblokken aan de Haarlemmer Houttuinen geven Hertzbergers verdiensten helder weer. Bovendien tonen ze iets van het Amsterdamse stadsleven dat een belangrijke inspiratiebron voor Hertzberger (geweest) moet zijn.

Als geboren Amsterdammer ervoer Hertzberger hier de levendigheid, de cultuurverschillen en intensiteit die het stedelijk leven kenmerken en waar hij in zijn scholen ruimte aan gaf. In Amsterdam werkte hij aan zoveel opdrachten dat de geschiedenis van zijn oeuvre grotendeels parallel loopt aan de bouwgeschiedenis van de stad. Zo realiseerde hij zijn eerste project aan de Weesperstraat, op dat moment één van de grootste en veelbesproken verkeersdoorbraken in Amsterdam. Vervolgens maakte hij een plan voor de Nieuwmarktbuurt, hét icoon van de stadsvernieuwingsoperaties en weer later ontwierp hij het Bijlmermonument (1996-1998) ter herinnering aan de grootse ramp die Amsterdam in de jaren negentig trof.

Het is jammer dat deze nauwe band tussen Hertzberger en Amsterdam in de tentoonstelling zo weinig uit de verf komt. Nergens is bijvoorbeeld een plattegrond van de stad te vinden waarop het oeuvre van Hertzberger en daarmee van een stuk stadsgeschiedenis te traceren valt. De clustering van schoolontwerpen is op zichzelf interessant, te meer omdat Hertzberger zelf zo nadrukkelijk de vergelijking met de stad maakt, maar leidt af van de Amsterdamse insteek. Daarmee leest de tentoonstelling niet als de reisgids die ze wil zijn. Ook de inspiratie die Hertzberger uit Amsterdam haalt blijft op de achtergrond. Even voel je iets van zijn bewondering voor de stad, als hij in het AT5 programma Aanbouw spreekt over het fantastische uitzicht over de Amstel dat hij met het kantoor van Waternet nieuw leven in wilde blazen. Dan wil je meer horen en zien; welke plekken er voor Hertzberger toe doen, wat Amsterdam hem leerde en wat hij dacht en denkt terug te geven. Een echte reisgids door Hertzbergers Amsterdam. Hopelijk is dat ongeveer de inhoud van het op 31 mei te verschijnen boek bij de tentoonstelling. En wie weet wil Hertzberger op 6 juli ter ere van zijn 75ste verjaardag dan nog wel één keer onze stadsleermeester annex reisleider zijn…?