Recensie —

Dutch Eyes

Lotte Haagsma

Op 18 april werd in Rotterdam, in het door Benthem Crouwel Architecten grondig gerenoveerde Las Palmas, het Nederlands Fotomuseum geopend. De openingstentoonstelling Dutch Eyes biedt een overzicht van de Nederlandse fotografie, van haar ontstaan in de 19e eeuw tot nu. Aanleiding voor de tentoonstelling is het boek Nieuwe Geschiedenis van de fotografie in Nederland – Dutch Eyes, een kakelvers en dik overzichtswerk vol prachtige beelden.

Dutch Eyes begint met de hedendaagse fotografie, om van daaruit met een grote sprong terug in de tijd te belanden. In tien hoofdstukken wordt de geschiedenis van de Nederlandse fotografie beschreven. De hoofdstukken zijn deels gerangschikt naar thema, deels in tijd. Er is aandacht voor de ontwikkeling van de fotografie in de negentiende eeuw, voor haar verhouding tot de beeldende kunst, voor de documentaire fotografie, voor fotoboeken en nog veel meer. Hoofdstuk vier en vijf zijn gewijd aan de stad en het landschap, twee onderwerp waar fotografen vanaf het begin van de fotografie graag hun camera’s op richten.

Eind negentiende, begin twintigste eeuw werden de moderniseringen die in het landschap plaatsvonden trots gefotografeerd. Waterwerken (inpoldering, aanleg van dijken, kanalisering), de bouw van bruggen, de aanleg van havens en  spoorwegen – het werd allemaal zorgvuldig vastgelegd. Vaak in opdracht, om zo de voortgang van het werk te documenteren en ter uitwisseling van technische gegevens en nieuwe inzichten. Rijkswaterstaat speelde hierin bijvoorbeeld een grote rol. Het ging in deze fotografie overigens niet alleen om het zo secuur mogelijk vastleggen van de vooruitgang der techniek. In Dutch Eyes staat bijvoorbeeld een foto uit 1883 van een droogdok in Rotterdam, gemaakt door Johann Georg Hameter. Frits Gierstberg vertelt in zijn tekst dat Hameter, behalve dat hij ervoor zorgde dat zijn onderwerp er scherp en centraal op kwam, ook een artistieke finishing touch aanbracht door dramatische wolkenpartijen in zijn negatieven te schilderen.

Uitwateringssluizen in het Haringvliet – Aart Klein (foto uit het besproken boek)

In de jaren dertig van de twintigste eeuw werd het landschap op zich een geliefd onderwerp. Zo fotografeerde Eva Besnyö tussen 1936 en ’37, nog maar net in Nederland gearriveerd, het polderlandschap in opdracht van de AVRO en de Holland-Amerika Lijn. Beroemder zijn de foto’s van vruchtbare Hollandse landschappen vol graan en koeien, die Cas Oorthuys net na de oorlog maakte voor het boek Landbouw (1946). Indrukwekkend zijn ook Aart Kleins monumentale opnames uit 1966, van de uitwateringssluizen in het Haringvliet en van een beeldvullende grazende koe.

In de jaren zeventig wordt men zich steeds meer bewust van de invloed die verstedelijking, industrialisatie en een zich uitbreidend wegennet hebben op het landschap. Sporen van deze ontwikkeling zijn terug te vinden in foto’s van onder anderen Eddy Posthuma de Boer en Willem Diepraam. Eind jaren tachtig maakt Hans Aarsman zijn serie Hollandse Taferelen. ‘Het Nederlandse landschap bleek, gezien door Aarsmans ironiserende bril, een knullig landschap (…).’ schrijft Frits Gierstberg. Hier geen heroïsche beelden van een indrukwekkend en uitgestrekt polderlandschap, maar een aangeharkt landschap met ‘een overmaat aan wegwijzers en gebodsborden’. Jannes Linders fotografeerde in dezelfde periode het Nederlandse landschap in opdracht van de afdeling Nederlandse Geschiedenis van het Rijksmuseum. Hij toont vooral de contradicties die in het landschap ontstaan door de met rasse schreden voortschrijdende verstedelijking.

In de eerste zin van het hoofdstuk ‘Ik heb een plastic zak gezien’ – Fotografie en stedelijkheid, 1852-2000, schrijft Anneke van Veen: ‘De overlevering wil dat de eerste Nederlandse foto’s ‘eenige gezigten op Amsterdam’ waren (…).’ Deze foto’s uit 1839 zijn niet bewaard gebleven, maar de relatie tussen fotografie en stad is altijd innig gebleven. De vroegste stadsfoto’s in Dutch Eyes tonen stille beelden van huizen langs de grachten van Amsterdam. Zij stammen uit de jaren ‘50 en ‘60 van de negentiende eeuw. In die tijd legde de fotografie het nog af tegen de toen populaire prenten en tekeningen die gemaakt werden voor de groeiende toeristenmarkt. Maar naarmate de techniek zich ontwikkelde en de sluitertijd zich verkorte, werden foto’s van de stad steeds talrijker en namen zij langzamerhand de functie van de prenten over. De stilstaande gebouwde omgeving was niet langer het enige onderwerp, de fotografie kon aan het eind van de negentiende eeuw de dynamiek en levendigheid van het stadsleven steeds beter vastleggen. In de foto’s van Jacob Olie en van de kunstschilder George Hendrik Breitner is deze ontwikkeling goed te zien – steeds vaker doorkruist de mens het stadsbeeld.

In dezelfde tijd werden in opdracht van de Bouwonderneming Jordaan de woonomstandigheden van de allerarmsten onderzocht. Bij de verslagen die van dit onderzoek werden gemaakt werden foto’s van Eduard H.J. Weismüller gevoegd. De fotografie werd voor het eerst gebruikt bij het toezicht op en de regulering van de stad en haar bevolking. In Amsterdam nam de gemeente fotografen in dienst, zij werkten mee aan het proces van woningverbetering dat opgang kwam na de instelling van de Woningwet in 1901, door vooraf de mistanden te fotograferen en vervolgens de vernieuwingen vast te leggen. En verder gaat het, met de straatfotografie van Ed van der Elsken en Koen Wessing, om uit te komen bij het werk van Hans Aarsman en Hans van der Meer. In hun schijnbaar objectief registrerende foto’s van het straatbeeld verdwijnt het onderscheid tussen voorgrond en achtergrond, mensen zijn er even belangrijk als gebouwen of straatstenen. De veranderingen die de stad ondergaat en de omgang met die veranderingen worden zichtbaar in de ontwikkeling van de stadsfotografie.

In het eerste hoofdstuk van Dutch Eyes, waarin de meest recente ontwikkelingen in de Nederlandse fotografie worden beschreven, komen stad- en landschapsfotografen als Theo Baart, Korrie Besems Bas Princen, Edwin Zwakman, Gerco de Ruijter en Frank van der Salm aan bod. Verschillende ontwikkelingen worden in hun werk gesignaleerd. Aan de ene kant zetten zij het werk van hun voorgangers voort, het steeds verder veranderende (stedelijke) landschap wordt door hen vastgelegd. Maar digitale technieken en de opkomst van de fotografie in het domein van de beeldende kunst zorgen voor telkens nieuwe beelden en nieuwe betekenissen.

Het enthousiasme van de auteurs spat van het boek af. Dutch Eyes biedt een indrukwekkend overzicht, met behalve aandacht voor foto’s van stad en land, ook aandacht voor alle andere onderwerpen en karakteristieken van de Nederlandse fotografie. Een standaardwerk dat een plek verdient in ieders boekenkast.