Feature —

Façade versus concept

Robert-Jan de Kort

Welke positie kan een architect innemen wanneer het gaat om Monumentaliteit, Representatie en Openbare Ruimte? Dit was het onderwerp van debat tijdens de vierde editie van de lezingenreeks Architectural Positions. Met in de linkerhoek: Hans ‘I love cities!’ Kollhoff en in de rechterhoek Bernard ‘what is architecture?’ Tschumi.

De reeks Architectural Positions wordt geplaagd door sprekers die afzeggen. In tegenstelling tot Kas Oosterhuis, Rem Koolhaas en Steven Holl, hadden Bernard Tschumi en Hans Kollhoff wél de moeite genomen om naar Delft te komen. Dat grote namen veel nieuwsgierigen trekken bleek uit het feit dat Zaal A, met ruim 600 aanwezigen, bijna uit zijn voegen barstte. Op deze mooie donderdagavond stond de rol van monumentaliteit bij de representatie van gebouwen, en de betekenis daarvan voor de openbare ruimte, centraal. AP-organisator Tom Avermaete lichtte de keuze voor de sprekers toe en architectuurcriticus Dejan Sudjic leidde het thema monumentaliteit in.

De inleiding van Sudjic was vooral anekdotisch van aard. Als auteur van het boek De macht van het bouwen heeft Sudjic onderzoek gedaan naar de theoretische achtergronden van monumentaliteit. Sudjic stelt dat architectuur, als er politieke belangen bij gebaat zijn, bij uitstek hét instrument van representatie is. Dictatoriale regimes leverden meer belangrijke projecten op dan de liberale equivalenten. Dictators als Napoleon, Hitler, Stalin en Saddam Hoessein voerden allemaal grote plannen uit in de steden die zij belangrijk achtten in hun honger naar macht. Het feit dat Hitler tijdens zijn regime pleitte voor een absurd dure staatsgebouwen, omdat dit toeristen zou trekken, maakt hem in feite de uitvinder van het ‘Bilbao-effect’. Zo spiegelde een, inmiddels veroordeelde, topman van ENRON de kracht van zijn frauduleuze bedrijf aan de vooruitstrevende architectuur van Frank Gehry, door als hoofdsponsor van diens tentoonstelling – in Gehry’s eigen Guggenheim museum te Bilbao – op te treden. Meer van dergelijke anekdotes volgden.

Bernard Tschumi, die tot eigen genoegen nu eens als praktiserend in plaats van als theoretisch architect werd aangekondigd, begon zijn lezing met de vraag naar de definitie van architectuur. Volgens hem is architectuur het gematerialiseerde concept. Het concept kan bestaan uit een diagram, vorm of strategie en vormt een drie-eenheid met de context en de inhoud (content) van een project. Vervolgens toonde Tschumi een aantal van zijn projecten, waarvan de zogenaamde ‘doubles’ het meest exemplarisch waren voor zijn ideeën over concept, context en content. Tschumi heeft namelijk een aantal projecten die, doordat ze hetzelfde concept en programma hebben, behoorlijk op elkaar lijken. Meest tekenend hiervoor waren de concertgebouwen in Rouen en Limoges. De gevels van de identieke schaalvormige gebouwen zijn respectievelijk met aluminium en hout bekleed, om enerzijds de ligging naast een snelweg en anderzijds de ligging in het bos te accentueren. De context van de verschillende projecten zorgde voor doorslaggevende verschillen in materialisatie.

Tschumi legde zijn positie uit door een eenvoudige taalkundige truc te gebruiken. Een combinatie van twee woorden kan, door ze van plaats te verwisselen, een totaal andere betekenis krijgen. Voorbeeld hiervan is het begrip de ‘kennis van vorm’. Dit begrip gebruikt Tschumi voor architectuur in de klassieke zin van het woord, waarbij de gebouwvorm het uitgangspunt voor de architect is. Bij verwisseling ontstaat ‘de vorm van kennis’, hetgeen aanduidt dat concepten (kennis) uitgangspunt zijn. Tschumi benadrukt hiermee dat architectuur gaat over zaken die breder zijn dan alleen vorm en daarom nooit enkel vanuit de keuze voor een vorm kan ontstaan.

Hans Kollhoff had als inleiding op zijn lezing citaten meegenomen van onder andere Adolf Loos en Adolf Behne. Wat Kollhoff probeerde duidelijk te maken was dat de moderne beweging heeft getracht de woonomgeving los te koppelen van de monumentale vormgeving. Loos benoemde in 1908 het monument, samen met het graf en de kunst, terwijl hij de rest van de architectuur als het tegenovergestelde van kunst bestempelde. Kollhoff is van mening dat woongebouwen een monumentaal voorkomen dienen te hebben. Hij betitelde de gelaagde, monumentaal opgebouwde gevel, als hét instrument voor de vormgeving van de openbare ruimte. Het beeld van een gebouw, of een ensemble van gebouwen, is doorslaggevend voor het creëren van een aangenaam publiek domein. Dit beeld is ‘maakbaar’ en de instrumenten zijn de entree, de facade en het dak van het gebouw. Kollhoff zette de klassieke realiteit in steden als Parijs, Venetië en Amsterdam af tegen steden in China, waar de zogenaamde ‘Toy-towns’ hun intrede hebben gedaan. Kollhoff noemde het infantiel hoe Europese architecten zich laten gebruiken om in China de steden te bouwen die de openbare ruimte totaal teniet doen. Dit heeft volgens hem te maken met de megalomane gebouwen die, als speelgoed in een kinderkamer, over het stedelijk landschap verspreid liggen. Kollhoffs positie, als hoeder van de monumentaliteit, was zonneklaar.

Voornaamste verschil tussen Kollhoff en Tschumi is de overtuiging van de één dat de kwaliteit van het publiek domein voortkomt uit de gebouwen, en de bijbehorende façades die deze ruimte begrenzen, terwijl de ander de openbare ruimte uitlegt als een veelvoud aan complexe relaties die beïnvloed kunnen worden met de juiste concepten, die vervolgens worden gematerialiseerd in architectuur.

De avond eindigde met een discussie die werd geleid door Tom Avermaete en Klaske Havik. De sprekers nestelden zich tussen de twee discussieleiders in, waarna Hans Kollhoff het mikpunt van kritiek werd. Kollhoff verdedigde zijn positie met verve. Hij reageerde furieus op een opmerking van iemand uit het publiek die Kollhoffs architectuur als cosmetisch bestempelde. Kollhoff repliceerde dat moderne architectuur er simpelweg niet in is geslaagd de kwaliteit van de openbare ruimte in klassieke steden te evenaren. Daarmee was voor hem de kous af. Tschumi nuanceerde zijn mening door te stellen dat architectuur alles te maken heeft met plekken waar mensen wonen en met locaties, van Rockefeller Center tot een treinstation, waar dingen plaatsvinden. De vormgeving van de publieke ruimte kan alleen voortkomen uit een concept dat probeert deze processen te begrijpen en gebruiken. Belangrijkste stelling hierbij is dat geen enkel concept het ultieme antwoord geeft op de vraag wat architectuur eigenlijk is.

Het verschil tussen de twee posities was zo extreem dat beide sprekers nooit bij elkaar kwamen. Dat de discussie zich op Kollhoff richtte was, door zijn voor het Delftse publiek ‘inhoudsloze’ standpunten, behoorlijk voorspelbaar, maar leidde niet tot de juiste kritische noot om de bouwmeester aan het wankelen te krijgen.