Feature —

Kanjers en Knoerten in Amsterdam

Fred Feddes

Studenten van de Academie van Bouwkunst in Amsterdam bogen zich over de sporen die de naoorlogse cityvorming in de hoofdstad heeft achtergelaten. Onder het motto SIZE Matters! onderzochten ze hergebruikmogelijkheden van grote gebouwen uit die tijd, zoals de Nederlandse Bank en de parkeergarage Europarking, of probeerden ze eigentijdse grote programma’s in de bestaande stad onder te brengen. De bouwwerken en stedenbouwkundige ingrepen uit die tijd gaan een nieuwe periode van waardering tegemoet, meent Fred Feddes.

In mei 1962 verscheen in De Telegraaf een getekende vogelvluchtkaart van ‘Amsterdam over 25 jaar’. De kaart werd omlijst door plaatjes van 24 bouwwerken die toen voorgenomen of in aanbouw waren. Vele daarvan zijn vertrouwde onderdelen van de stad geworden, zoals de Nederlandse Bank, het Hilton-Hotel, de RAI, de IJtunnel, het Havenkantoor en het Casa Academica. Andere zijn er nooit gekomen, zoals de Opera aan de Ferdinand Bolstraat en de metrohalte Museumplein. Het Wibauthuis en de Europarking staan niet met name genoemd op de kaart, maar passen in dezelfde categorie van ‘Kanjers en Knoerten’, zoals ze in het gelijknamige boekje van Koos Bosma en Frits Palmboom uit 1995 worden genoemd.

De kaart uit 1962 was 45 jaar later een inspiratiebron voor het semesterthema SIZE matters! van de Academie van Bouwkunst Amsterdam. Een half jaar lang werkten de studenten opdrachten uit die met het thema verbonden zijn. ‘Het ging om gebouwen, stedelijke ensembles en parken die door een extreem schaalcontrast of eigenzinnige oriëntatie een onhandige relatie met de stad hebben’, aldus de Academie. Een selectie van 25 studentenplannen is nog t/m 16 mei te zien in de Zuiderkerk.

Vogelvlucht van de voorspoed

SIZE matters! vestigt de aandacht op de belangrijke en omstreden periode van cityvorming in de jaren vijftig tot en met zeventig. Het was een tijdperk van expansie. Nederland groeide razendsnel in inwonertal, het moderniseerde en motoriseerde, en de welvaart nam onstuitbaar toe. Het groepsportret van bouwwerken op de kaart uit 1962 vormde een nieuw patroon, met een nieuwe schaal, dat over de bestaande stad werd gelegd om haar geschikt te maken voor een nieuwe actieve rol in de veranderende wereld. Dankzij deze kloeke (semi-)openbare gebouwen en infrastructurele ingrepen zou Amsterdam zijn positie als ‘bedrijvige stad’ behouden. Uit de kaart en de bijbehorende tekst spreekt trots en optimisme. Het is het vogelvluchtperspectief van de voorspoed.

Dit idee van cityvorming is in de roerige jaren zeventig in ongenade geraakt. De stemming sloeg om, met de Nieuwmarktrellen in 1975 als een symbolisch keerpunt. De politieke, stedenbouwkundige en architectonische voorkeur richtte zich voortaan op behoud en herstel van de bestaande stad, kleinschaligheid, stadsvernieuwing en beteugeling van de automobiliteit. De schaalvergroting ging overigens gewoon door, maar op een subtielere manier waarbij de oudere stadsdelen min of meer werden ontzien.

De revolutie naar kleinschaligheid was in veel opzichten weldadig. Maar voor de jonge kanjers en knoerten waren de gevolgen ongelukkig. Nog maar pas geleden waren zij de bouwstenen geweest van een lonkend toekomstbeeld. Nu werden ze ineens veracht als de ongewenste kinderen van megalomane technocraten, als lompe reuzen, als olifanten in een porseleinkast.

Sinds de Nieuwmarktrellen zijn ruim dertig jaar verstreken. Zelfs het jaar 1987 – de verre toekomst van de kaart uit 1962 – ligt een generatie achter ons. De uit de kluiten gewassen kanjers en knoerten van eertijds naderen de monumentwaardige leeftijd en ze ogen als fragiele oudjes. Sommige zijn al gesloopt, zoals het Maupoleum, het Spoorwegpostkantoor en het Swammerdaminstituut. Het Wibauthuis wordt nu afgebroken. Sloop van het Casa Academica staat voor 2009 op de rol. De toekomst van het GAK-kantoor is ongewis. Als het aan de coterie rond Wim T. Schippers ligt, zijn ook de dagen van de Nederlandse Bank geteld. Deze gebouwen delen hun ongewisse lot met een groot deel van de naoorlogse woningbouw, voor zover het om huurwoningen gaat, en ook met bijvoorbeeld talloze elegante jarenzestig-schoolgebouwen. Een hele bouwgeneratie wordt zonder veel omhaal op grote schaal uitgedund.

Er zijn ook tegenvoorbeelden. Sommige wooncomplexen zijn onverminderd populair, zoals Autopon aan de Overtoom. Niemand overweegt het Hilton te slopen. Het Sint Lucas Ziekenhuis, een halve eeuw geleden bedoeld als tijdelijk gebouw, voldoet nog zo goed dat het ook in de laatste verbouwingsronde is gehandhaafd. De Renaultgarage bij het Amstelstation kreeg een succesvol nieuw leven als restaurant, sportschool en redactielokaal.

boven: W-hole van Kim Verhoeven
onder: Urban Claps van Benjamin Robichon

Vier generaties waardering

In het oordeel over deze gebouwen zijn meerdere generaties van waardering te herkennen; ik tel er ruwweg vier.

De oorspronkelijke positieve waardering lijkt ver achter de horizon te zijn verdwenen. De trots, het optimisme en de opgeruimdheid uit de beginjaren zijn na alle verguizing bijna niet meer voor te stellen. Er is ook nauwelijks historisch onderzoek naar gedaan, constateerde architectuurhistoricus Koos Bosma bij de opening van SIZE Matters! op 13 april. ‘Van de twintigste-eeuwse gebouwen in Amsterdam weten we bijna niets. Daar is nog veel meer kennis van nodig.’

Dominant is het negatieve oordeel van de volgende generatie, de protestgeneratie. Veel kanjers en knoerten worden nog altijd gehaat, alsof er sinds hun bouw geen veertig jaar zijn verstreken. De woede en de wrok van destijds zijn kennelijk ook nu nog maatgevend. Dat geldt voor de wat oudere generatie van culturele smaakmakers zoals Henk Hofland, Rudy Kousbroek, Richter Roegholt en Wim T. Schippers. Maar hun oordeel sluit aan bij de maatschappelijke mainstream: op de lijstjes van de lelijkste gebouwen van de stad zijn de kanjers en knoerten sterk oververtegenwoordigd. En omdat hun oordeel dominant is, vinden ze het nauwelijks nodig om uit te leggen waarom deze gebouwen zo verschrikkelijk zijn. Schippers kwam vorig jaar in de NOVA-serie over de lelijkste plek van Nederland niet veel verder dan het verwijt dat de Nederlandse Bank een gevelbekleding heeft van ‘boerenplavuizen’.

Inmiddels is er een bescheiden herwaardering ontstaan, mede onder de groeiende druk van sloopplannen. Vrijwel niemand treurde bij het verdwijnen van het Maupoleum aan de Jodenbreestraat in de jaren negentig, maar de naderende sloop van het Swammerdaminstituut en het Wibauthuis leidden recentelijk al tot meer ophef. De pleitbezorgers zijn veelal te jong om in de jaren zeventig tegen de cityvorming te hebben gevochten. De kanjers en knoerten waren er gewoon, als onderdeel van de stad waar zij woonden, als onderdeel van hun herinneringen. Voor deze generatie zijn de kanjers geen eigentijdse maar historische gebouwen, die je kunt waarderen als de restanten van een opmerkelijke, intrigerende en nog veel te weinig onderzochte periode in de stadsgeschiedenis. Ze hoeven niet heilig te worden verklaard, maar ze verdienen het evenmin om achteloos te worden afgedankt. Ze verdienen zorgvuldige aandacht, en als het even kan een langer leven met nieuwe functies en een nieuwe relatie met de stad. Architectuurhistorisch onderzoek kan daarbij verhelderend en inspirerend zijn, terwijl architecten en stedenbouwkundigen de mogelijkheden voor hergebruik kunnen laten zien.

Deze herwaardering zette de toon tijdens het debat bij de opening van SIZE matters! op 13 april. Pieter Jannink, hoofd stedenbouw van de Academie en inspirator van het thema, wees op het stedelijke optimisme waarvan de Telegraaf-kaart uit 1962 getuigt, en vroeg zich af wat zo’n optimisme nu zou kunnen inhouden. Mieke Heim (stadsloods bij DRO) en Han Michel (adviseur stedelijke ontwikkeling) zagen de knoerten vooral als ‘schuifruimte’ of ‘transitieruimte’ voor nieuwe programma’s in de stad, waarbij de gebouwen soms wel en soms niet kunnen worden hergebruikt. Ook Koos Bosma vond dat de kanjers niet per se hoeven te blijven, maar stelde wel een voorwaarde: ‘Het nieuwe moet beter zijn dan het bestaande. Anders moet je het oude laten staan.’ Academie-directeur Aart Oxenaar hield een pleidooi voor de Nederlandse Bank: ‘Dat is een van de beste gebouwen van Amsterdam. Het heeft de goede functie op de goede plek, en door zijn schaal zorgt het voor rust en ruimte in de stad. Dit soort gebouwen heeft Amsterdam veel te weinig.’ En gespreksleider Esther Agricola liet doorschemeren dat zij als directeur van het gemeentelijke Bureau Monumenten en Archeologie extra aandacht wil voor de nu nog onbestemde positie van de kanjers en knoerten in de stadsgeschiedenis.

Wie vervolgens de studentenplannen in de Zuiderkerk bekijkt, beseft dat hier alweer een vierde generatie aan het werk is geweest. De studenten zijn niet heftig verbonden met de ideologie van de cityvorming, noch met het verzet ertegen, en ze hebben zich doorgaans ook niet merkbaar in het verleden verdiept. Ze lijken de gebouwen te accepteren als objecten in de stad die hun functie kwijt zijn en dus de nuchtere vraag oproepen: wat kun je ermee?

boven: Hotel Jordaan van Marijke Bruinsma
onder: Roomtuintjes van Jorryt Braaksma

Repertoire

Hun antwoord is soms een formeel spel met het gebouw en met de doem van de sloop. Zo presenteert Kim Verhoeven W-hole, een ontwerp voor een gebouw ter plaatse van het Wibauthuis, dat zó groot is dat de contouren van het Wibauthuis erin kunnen worden uitgespaard. De contouren van de leegte, het oude Wibauthuis als een fossiel afgedrukt in de kanjer van de next generation: het effect is onmiskenbaar theatraal, al zou je deze behandeling eerder bij de Twin Towers verwachten. Enigszins vergelijkbaar is Urban Claps van Benjamin Robichon, die het Wibauthuis in stukken slaat en de her en der verspreide brokken als afzonderlijke gebouwtjes ontwerpt.

Anderen richten zich op herbestemming van de oude knoerten, inclusief een herontwerp van de omgeving. In een aantal plannen krijgt de parkeergarage Europarking of de Nederlandse Bank een nieuwe functie. Meestal wordt het een hotel, een woongebouw of een leisure-voorziening, waarmee de plannen tevens een afspiegeling zijn van de veranderende economische dragers van de binnenstad. Een enkeling waagt zich aan een nieuwe en brutale kanjer, zoals Jurrian Knijtijzer die een stervormig gebouw op poten boven het Frederik Hendrik Plantsoen zet: vrolijke heiligschennis in Oud-West. Opmerkelijk is het plan van Marijke Bruinsma voor een groot hotel dat is opgeknipt in kleinere eenheden en verspreid over twee blokken in de Jordaan, zodat het zo min mogelijk opvalt tussen de woonbebouwing. Een groot programma dat kleinschalig wordt uitgewerkt en gemengd met het dagelijkse leven erom heen: hier zijn we op de tijdlijn van historische referenties alweer voorbij de cityvorming. Het meest elegante ontwerp, tenslotte, is van Jorryt Braaksma, die met eenvoudige middelen de Roomtuintjes met de rest van de Dapperbuurt verzoent: een historische prestatie.

Niet alle plannen zijn even sterk en sommige blijven steken in de fase van een goed idee; het architectonisch ontwerp moet dan eigenlijk nog beginnen. Maar ze laten in ieder geval zien dat de periode van de cityvorming geen doodlopende straat hoeft te zijn. Geef de studenten een kanjer of knoert in handen, en ze doen er veel meer mee dan alleen maar monumentaliseren of slopen. Ze doen suggesties voor een repertoire van lichte en zware varianten op hergebruik, herbestemming, herontwerp en transformatie. Dat repertoire kan nog veel groter. Dat zal in de komende tien jaar nog vaak nodig zijn om slimme alternatieven voor domme sloopplannen te verzinnen.