Opinie —

Verrommeling en de geschiedenis van sprawl

Joost van den Hoek

De nieuwe minister van ruimtelijke ordening heeft het tegengaan van ‘de verrommeling van Nederland’ tot speerpunt van haar beleid benoemd. Is verrommeling een uniek Nederlands fenomeen of is Amerika ook hierin ons voorland? Wat staat ons te doen? Joost van den Hoek las Robert Bruegmanns Sprawl: a compact history en zocht houvast.

A4 – Roelofarendsveen

Wat wordt eigenlijk bedoeld met verrommeling? Verschillende benaderingen van verrommeling kunnen worden herleid op het esthetisch ongecontroleerd en ruimtelijk inefficiënt uitdijen van de stad in de stedelijke ommelanden. Deze interpretaties sluiten naadloos aan op het internationale fenomeen sprawl dat door Robert Bruegmann beschreven is in Sprawl: a compact history. Bruegmann definieert sprawl als: “low density, scattered urban development without systematic large scale or regional public land-use planning”. Hoewel de schaal en de impact in de 20e eeuw sterk zijn toegenomen, ziet Bruegmann suburbane en exurbane sprawl als een constante in de geschiedenis van de stad. Volgens Bruegmann waren in het oude Rome al discussies over verrommeling langs de stedelijke uitvalsroutes. Langs deze routes ontstonden een aaneenschakeling van slachterijen en krottenwijken die binnen de stadsmuren geen plekje meer konden vinden, tot aan luxe buitenverblijven van de stedelijke elite in de heuvels. Bruegmann laat zien hoe de trek naar buiten door de eeuwen heen verliep; van een elitaire vlucht met paard en wagen naar een massafenomeen door de auto, en met verregaande suburbanisatie als gevolg.

In de studie poneert Bruegmann een aantal stellingen: (1) Sprawl is het resultaat van de wensen en voorkeuren van vele individuen maar is niet te herleiden tot het gedrag van individuele actoren. (2) Sprawl aan de stadrand is onderdeel van een keten van nauw verbonden stedelijke transformatieprocessen die zich uitstrekken van stadscentrum tot het landelijk gebied en is als zodanig niet als geïsoleerd fenomeen aan te pakken (3) Sprawl vergroot ondanks de onprettige verschijningsvorm voor het merendeel van de mensen en bedrijven het individuele ontplooingspotentieel flink omdat de hoeveelheid m2 woon- en werkruimte per persoon toeneemt door expansie van het stedelijk grondgebied. Sprawl an sich hoeft dus zeker geen negatieve definitie te hebben. (4) De wijze waarop het anti-sprawl (anti-verrommelings) debat de laatste honderd jaar is gevoerd, is terug te voeren op een bijbehorende politiek beleid. Verschillende soorten van anti-sprawl beleid zoals het kanaliseren van stedelijke expansie door het stichten van newtowns (in Amerikaanse context) droegen zelden bij aan beoogde resultaat, vaak verergerden ze de situatie.

Ondanks de rijke casuïstiek van Bruegmann heeft hij over Nederland weinig te melden. Als belangrijke reden hiervoor noemt hij de periode van de wederopbouw en met name de (modernistische) overheidsinterventie in de ruimtelijke ontwikkeling. Deze was in Noord Europa dermate groot dat processen van sprawl in vergelijking met Amerika en de rest van de wereld bijna onzichtbaar bleven. In het licht van deze opmerking kan het ontstaan van een verrommelingsdebat in Nederland ook worden gezien als een terugkeer naar de normaliteit van de Nederlandse ruimtelijke ordening na decennia van modernistisch experimenteren. Carel Weeber kwam onlangs in een ander verband tot eenzelfde conclusie toen hij bij een debat in Almere, waar wethouder Duijvesteijn bezig is om de woningbouw terug te geven aan de burgers middels particulier opdrachtgeverschap, opmerkte dat dit het einde betekende van het modernistische experiment en dat Nederland hiermee weer aansluit op de ons omringende landen waar het nooit anders is geweest.

Wat kunnen wij in de Nederlandse context leren van de analyse van Bruegmann? Vaststellen dat Nederland in ruimtelijk opzicht een normaal land aan het worden is, dat de huidige verrommelling in wezen een voorzetting is van incrementele ontwikkelingsprocessen die al vroeg aanwezig waren in de Nederlandse steden? Dat rommelige ontwikkelingen niet per definitie onaantrekkelijke straten en gebieden opleveren zoals we kunnen zien aan de laat 19e eeuwse ontwikkelingen van bijvoorbeeld de Rotterdamse Bergweg en de Amsterdamse Plantage Middenlaan? In ieder geval gaat er een zekere geruststelling van Bruegmanns analyse uit. De voorbeelden die Bruegmann geeft van steden als Phoenix of New Yersey laten zien dat de Nederlandse verrommelling ook maar relatief is. Zeker wanneer hij ’smart growth’ als redelijk succesvol tegengif voor ongebreidelde sprawl beschrijft. De receptuur van de smart growth: ontsluiting per auto, openbaar vervoer en fiets, bouwen in redelijke dichtheden, stadsuitleg opdelen in buurtjes en voorzieningen op loop- of fietsafstand, is in wezen een beschrijving van de Nederlandse modus operandi. Waar de binnenlandse commentaren op de voortschrijdende suburbanisatie redelijk negatief zijn, geldt zij vanuit Amerikaans perspectief nog immer als voorbeeldig.

Wellicht de belangrijkste factor in het Nederlandse verrommelingsvraagstuk is dat in Nederland een (visuele) regie in de ruimtelijke ordening het laagst is op die plekken waar dagelijks de meeste mensen komen. Zo zijn de ontwikkelingen langs de rijkswegen waar dagelijks velen miljoen voorbijkomen, bijna volledig overgegeven aan krachten van de vrije markt en uitverkoopstrategieën van lokale overheden. Terwijl de meeste woonwijken waar behalve de bewoners zelf niemand komt, tot op baksteenniveau geregisseerd en gesuperviseerd worden. Hierdoor ontstaat het idee dat de verrommeling veel erger lijkt dan zij in feite is, omdat zij zich concentreert op plekken die een belangrijke rol spelen in het vormen van een idee over de collectieve staat van het land. Zou de niet geringe kracht van de ruimtelijke regievoering in Nederland zich niet moeten maximaliseren op de plekken waar de meeste mensen (voorbij) komen?

Later we er eens vanuit gaan dat de boodschap van Bruegmann over de verrommeling (of sprawl) als vitale kracht in verstedelijkingsprocessen juist is. Dat het ontplooiingspotentieel van grote groepen mensen aanmerkelijk wordt vergroot. Wellicht moeten we dan in Nederland op zoek naar een andere oplossingsrichting. Een die niet zoals te doen gebruikelijk is, teruggrijpt naar de hoogromantische voorbeelden van de wederopbouw en de Deltawerken waar de overheid allesbepalende actor was. Misschien gaat het dan ook niet om meer regie van de overheid, zoals in het pleidooi van rijksbouwmeester Crouwel, maar om een andere regie die zich concentreert op de hoofdlijnen van het land die zo belangrijk zijn voor vorming van het nationale zelfbeeld en zelfbewustzijn. Een regie die veel meer ruimte laat op lokaal niveau aan de bewoners om te komen tot zeggenschap over de eigen woonomgeving. Op deze wijze kan Nederland wellicht opnieuw een uitzondering worden in de beschouwing van Bruegmanns sprawl en een nieuw experiment aangaan, nu niet in de planmatige stadsontwikkeling die sprawl buiten de deur houdt maar in de visuele regie van een gereguleerde verrommeling.