Feature —

De drang naar autonomie. OMU (Oswald Mathias Ungers) tachtig jaar

Herman van Bergeijk

Ter gelegenheid van de 80ste verjaardag van de Duitse architect Ungers zijn vele boeken en tijdschriften uitgekomen. In Nederland besteedde de TU Eindhoven aandacht aan de architect met een tentoonstelling en een symposium. Herman van Bergeijk probeert de (hernieuwde) belangstelling voor Ungers te duiden.

Geschiedenis is een probleem voor iedereen maar vooral voor architecten. Niet alleen hun eigen geschiedenis maar ook de ‘grotere’ is hun roofgebied. Ze zijn kind van hun tijd, maar erkennen dit liever niet omdat het hun rol als ziener van de toekomst aantast. Ze maken deel uit van de flow of time, maar willen toch het liefst worden gezien als figuren die op het water kunnen lopen. Zij willen de geschiedenis naar hun hand zetten en bijna alle architecten doen het. Ze verwarren de lijnen in de geschiedenis en komen met hun eigen zicht op historische gegevenheden.

Alleen vanuit dit perspectief is de Duitse architect Oswald Mathias Ungers, geboren in 1926, een even charismatische als problematische figuur in de architectuurwereld van na de Tweede Wereldoorlog. Als architect heeft hij nooit echt bekendheid gekregen, ondanks dat zijn werk in lijvige boeken is uitgegeven en hij aardig wat heeft gebouwd. Als architectuurdocent heeft hij daarentegen wel een reputatie weten te verwerven. Ungers was trouwens sowieso iemand die met buitengewoon veel gemak ideeën kon assimileren en in zijn eigen architectuuropvattingen kon vertalen. Hoewel zeker geen eclecticus in vorm, putte hij voor zijn opvattingen uit verschillende soms ver uit elkaar liggende bronnen. In de eerste plaats uit de wereld van vormen: Schinkel, Karl von Fischer, het Duitse classicisme heeft hem vele beelden aangedragen die hij omzette tot een eigen repertorium. Maar ook de beeldende kunst voedde hem. Het principe van Marcel Duchamp om wat je vindt, te vervreemden en daardoor tot kunst te verheffen, was hem niet vreemd. De perceptie moest cognitief worden verstoord of aangescherpt. De as found objecten werden altijd veredeld en geabstraheerd. Banaal of geacheveerd, hoge of lage cultuur, pop of klassiek, alles kon worden ingepast in zijn denken. Zijn denkwereld wordt gereflecteerd in zijn eigen bibliotheek, de basis van zijn instituut voor architectuurwetenschap: reusachtig, breed en waardevol, maar eenduidig klassiek/modern van karakter. Ook het classicisme werd door hem uit zijn historische proporties gestoten, iets wat in de architectuur van de 20ste eeuw verschillende keren heeft plaats gevonden.

Deutsches Architekturmuseum Frankfurt, verbouwing 1989

Met het noemen van deze Wahlverwantschaften is geen antwoord gegeven op het waarom. Geschiedenis is niet slechts het herkennen van feiten maar, ondermeer, het reconstrueren van constellaties, van toevalligheden die tot betekenisvolle gebeurtenissen hebben bijgedragen. In zijn Amerikaanse jaren had Ungers enkele ‘medewerkers’ die thans in de schijnwerpers staan: Hans Kollhoff en Rem Koolhaas. In deze twee figuren ligt ook de huidige fascinatie voor Ungers. Ook bij de feestelijkheden voor zijn 80ste verjaardag waren de twee namen veelvuldig present. Zowel Kollhoff als Koolhaas zijn in zekere zin schatplichtig aan Ungers. Beide hebben de politieke consequenties van de architectuur met verve weten te bestrijden. De mythe dat architectuur de wereld zou kunnen veranderen werd geheel overboord gegooid. Architectuur verandert niet de samenleving maar de uiterlijke vorm waarin die samenleving opereert. Als het al moeilijk is enkele humanistische accenten in het denken van Ungers te vinden, in die van zijn al of niet verloren zoons zijn ze al helemaal niet meer te ontdekken. Hun prevalentie voor de stad heeft niks meer te maken met een idee van polis, zoals Leon Battista Alberti die steeds weer formuleerde en waarin het begrip van civitas een dominante rol speelde. Kollhofs mening dat Ungers de architectuur in de traditie van Alberti opnieuw fundeerde, getuigt van een even eigen(on)zinnige als misvormde kennis van de geschiedenis. Humanistische trekken in de architectuur van Ungers zijn moeilijk terug te leiden tot het 15de eeuwse humanisme; niet tot Alberti en niet tot een andere ‘humanistische’ filosoof (zoals op het congres in Eindhoven werd gesuggereerd).

Het idee van de grote vorm – waarbij moet worden gezegd dat theorieën over Bigness al sinds mensenheugenis bestaan, maar nog nooit zo los zijn komen te staan van de maat van de mens zelf – heeft geleid tot een ‘dematerialization’ van de samenleving en een concretisering van de containergedachte. Alles is verpakking of Bekleidung geworden. Ook op het congres in Eindhoven dat naar aanleiding van de tentoonstelling Learning from Ungers werd gehouden, werd op aangename wijze gekoketteerd met de gedachten van Koolhaas zoals die zijn verwoord in zijn maatgevende publicaties over zijn eigen firma. De exegese wordt natuurlijk door alle gelovigen meer gewaardeerd dan een zorgvuldige ontleding. Het blijkt dat het steeds moeilijker wordt om de polis-tieke consequenties van zijn surrealistische aanpak onder ogen te zien. We praten na en stellen niet meer aan de orde. Dat de Megavorm an intermediate is between autonomous architecture and participation is mooi gezegd, maar niet meer dan een naïeve uiting van wishful thinking. Wij denken allang niet meer na over de stad; de stad denkt over ons na, of beter, de stad denkt ons, en wij worden opgenomen… of met geweld opgenomen. De steeds groter wordende schaal zorgt ervoor dat de mens als betekenisgevende factor volledig ontbreekt. Door de huidige communicatiemiddelen is elk schaalprobleem virtueel geworden. Afstand en tijd hebben afgedaan als maatgevende factoren. De autonomie van de architectuur staat aan de basis voor het ontwerp van de stad zelf. Hieraan heeft Ungers ongetwijfeld een grote bijdrage geleverd, maar de vraag of het een wijze les was moet nog worden beantwoord.

Zoals uit de verschillende boeken van Ungers blijkt werd zijn denken grotendeels beheerst door associatieve denkbeelden en typologische obsessies, en nooit door een idealistisch beeld van een mogelijke samenleving in de toekomst. De architectuur overwon en de mens gaat erin ten onder. Ook zijn gerealiseerde woningbouwprojecten in Berlijn tonen dat op exemplarische wijze. Koolhaas is al geruime tijd een belangrijk exportartikel van de Nederlandse cultuur; hij is de wellicht ongewilde leider van the universal soldiers die vanuit Nederland in het hele universum opereren. Op de vraag wat we van Ungers kunnen leren is het antwoord duidelijk: evenveel als van Shanghai, Lelystad en Disneyland, of van Mies, Le Corbusier en Speer. Leren kan je van giganten maar ook van amoeben. Of misschien toch niet? Ungers beweerde ooit dat je een boek niet moet lezen, je moet het bestuderen. Wat zou hij bedoeld hebben? De tijd nemen? Moeten we het bestuderen, het leren toch niet eens aan de kaak stellen? En daarmee het onderwijs?

Ungers is de man van de continuïteit, zij het een verdraaide continuïteit. Een die aan elk moment van de geschiedenis kan worden aangeknoopt ook al zal het resultaat er een zijn van verschillen. Ungers’ eerste eigen huis in Keulen is een goed voorbeeld. Als een Rietveld-Schröder huis heeft hij zijn eigen woning geplaatst aan het einde van een rijtje puntdakhuizen. Het suggereert continuïteit, maar zijn huis is geheel anders. Gesloten en toch open, bijna als een bunker presenteert het zich. De afleesbaarheid van de exterieur verraadt bijna niets van het interieur. Zijn huis is een reactie tegen het functionalisme, tegen het expressionisme, tegen de stroom in. Dit is wellicht ook zijn tragiek. Op het moment dat de wereld eind jaren zestig aan het politiseren is, onttrekt Ungers zich aan elke vorm van politieke provocatie. Hij is de man van het midden en als zodanig wordt hij als professor naar Berlijn gehaald.

Berlijn confronteert hem met het idee van de stad in de stad, met het naast elkaar bestaan van verschillende stadsgezichten. Een ieder die Berlijn voor 1989 heeft bezocht weet hoe dit idee zich bijna vanzelf opdringt. De politieke realiteit die steeds stringenter werd, deerde Ungers niet. Oost en West leken niet te bestaan. Kan het bevreemden dat vele studenten niet met hem overweg konden? Alleen diegenen die in architectuur pur sang geloofden, konden met zijn opvattingen iets beginnen. In deze periode maakte hij ook verschillende, kleinere publicaties. De Grossformen im Wohnungsbau heeft op de omslag een foto van een mensenmassa, waarschijnlijk een politieke manifestatie van de studenten. Maar de foto is een kwartslag gedraaid, zij is tot abstractie verworden. De politiek wordt geësthetiseerd.

Na Berlijn ging Ungers in 1969 naar Cornell (V.S.). Colin Rowe, die op dat moment op Cornell les gaf, was de bemiddelaar. Het lesgeven van Ungers in Berlijn kende grote overeenkomsten met dat van Hedjuk, Hoesli en Rowe in Austin, Texas. De opdrachten waren steeds uiterst beperkt en de studenten kregen niet veel tijd. De nadruk lag op wat we thans concept noemen en toen als uitgangspunten werd gedefinieerd. Het ging om de snelle uitwerking. Rowe zou zich kort daarop toch van Ungers afkeren. Misschien omdat Ungers diens Collage City opvattingen (die pas in 1978 in boekvorm werden uitgegeven maar al veel langer door Rowe werden verkondigd in zijn onderwijs) op eigen wijze gebruikte. In 1972 publiceerde Ungers samen met zijn vrouw een boek over Kommunen in die neuen Welt, 1740-1971, een boek dat politiek correct leek, maar het in het Amerika van Nixon en Vietnam niet kon, zeker niet in de ogen van de studenten. De apolitieke utopie was geen antwoord op de realiteit van de wereld, evenmin als het zich terugtrekken in een absolute architectuur. Inmiddels hebben vrijwel alle architecten en critici zich in de autonomie van de discipline gehuld en zich een Amerikaanse, geveinsde beminnelijkheid aangeleerd.

Een andere invloed op Ungers die nauwelijks nog wordt genoemd is James Stirling. Stirling is een bron die nauwelijks nog is onderzocht. In de tijd dat Robert Krier voor Ungers werkte, was Leon werkzaam op het bureau van Stirling. Het thema van de passage als verbindende stedelijke vorm werd op beide architectuurbureaus onderzocht op zijn potentie. Ungers’ Morphologie City Metaphors (1982) moet niet gelezen worden als een toepassing van de metafoor in de architectuur. Het betreft slechts een formele herkenbaarheid die Ungers door een woordje onder eenzelfde noemer probeert te vangen. Ungers’ gelijktijdig pleidooi voor automie van de architectuur had juist tot doel de metatalen in de architectuur te elimineren. Ook in Stirlings werk kunnen we vrijwel dezelfde tendens in het zoeken naar pure architectuur ontdekken, maar op een minder paradoxaal niveau.