Recensie —

De Nieuwe Nederlandse Stad

Jelte Boeijenga

Als afsluiter van de Powerlounge op de Internationale Architectuurbiënnale werd op 8 juni de bijeenkomst De Nieuwe Nederlandse Stad gehouden. ’s Middags waren er eerst presentaties van de Noordvleugel en de Zuidvleugel. Later volgde een debat over de toekomst van deze twee samen: de Randstad. De deelnemers van het debat hadden de presentaties ’s middags niet bijgewoond. Hierdoor was er geen sprake van een gedeeld perspectief. Een debat zou het dan ook niet worden.

Biënnaledirecteur George Brugmans opende de finale van de Powerlounge met een vergelijking met de wedstrijd Ajax – Feyenoord. Afgezien van een mogelijk verschil in spelopvatting – zichtbaar in de tentoonstelling – ging het hem hierbij om het karakter van de wedstrijd. Geen doel op zich namelijk, maar een middel tot aansluiting bij de internationale top: toegang tot de lucratieve Champions League. En dat is dan ook wat de Noordvleugel en de Zuidvleugel gemeenschappelijk hebben: meedoen in de internationale concurrentiestrijd tussen regio’s.

Maarten Hajer leidde het debat met de wethouders Ruimtelijke Ordening Maarten van Poelgeest (Amsterdam) en Hamit Karakus (Rotterdam), Joost Schrijnen (projectdirecteur Structuurvisie Almere 2010-2030 en voormalig directeur Ruimte & Mobiliteit, Provincie Zuid-Holland), Duco Stadig (voorzitter Vereniging Deltametropool), Adriaan Geuze (West 8) en Mariet Schoenmakers (directeur AM Concepts en voorzitter Stimuleringsfonds voor Architectuur).

Hajer opende met twee schijnbaar eenvoudige vragen: ‘waar willen we nu eigenlijk naar toe met die Randstad?’ en ‘wat is hierbij de rol van de ontwerper?’. Deze onschuldige vragen legden echter wel meteen de problematiek van de Randstad bloot. Er zat vrijwel niemand aan tafel die in één zin uit kon leggen waarom of waaruit de Randstad bestaat, dan wel zou moeten bestaan. Laat staan ‘waar het met de Randstad heen zou moeten’. Het ontbrak de deelnemers aan een gezamenlijk referentiekader.

Het uiteen waaiende gesprek maakte duidelijk dat het voor de meeste deelnemers niet mogelijk is om de schaal van de Randstad daadwerkelijk te vatten. Dit viel des te meer op bij diegenen die ’s middags wel bij de inhoudelijke toelichting waren geweest. Voorafgaand aan het debat hadden Paul Gerretsen van Atelier Zuidvleugel en Zef Hemel van de Dienst Ruimtelijke Ordening Amsterdam uiteengezet op welke manier zij en hun teams de afgelopen tijd hebben gewerkt aan het ruimtelijk regionaal ontwerp voor de Zuidvleugel, respectievelijk de Noordvleugel. De twee presentaties waren beiden het product van een vrije exercitie binnen de ambtelijke diensten. Bij DRO vanuit de eigen dienst georganiseerd, bij het Atelier Zuidvleugel vormgegeven als een samenwerking tussen de Provincie Zuid-Holland en de andere partijen in de Zuidvleugel. Maar beiden op enige afstand van de staande beleidspraktijk.

Gerretsen gaf het publiek een kijkje in de keuken van de regionale planning nieuwe stijl – zoals deze is ontwikkeld door Atelier Zuidvleugel. Een aanpak die –  in een regio met een bestuurlijk en ambtelijk krachtenspel tussen de twee grote steden Rotterdam en Den Haag en de vijf kleinere spelers Leiden, Zoetermeer, Delft, Gouda en Dordrecht – zich in eerste instantie richt op ‘het laten zien’. Volgens Gerretsen kan het eenvoudigweg zichtbaar maken van ruimte of gebruik, het ontwerpend onderzoek een bindende rol geven binnen de bestuurlijke complexiteit, daar waar het traditionele ontwerp vaak blijft steken in de onderbouwing van de (lokale) bestuurlijke ambitie. Door vervolgens een instrument te ontwikkelen waarmee ruimtelijke ontwikkelingsperspectieven kunnen worden geschetst, draagt het ontwerpend onderzoek bij aan concrete planvorming. Tegelijkertijd geeft het bestuurders handvatten om de eigen stedelijke ontwikkeling te plaatsen binnen de ontwikkeling van de hele regio.

Presentatie Noordvleugel – foto’s Sabine Lebesque

Zef Hemel vertelde een heel ander verhaal. De Noordvleugel is gericht op haar centrum en Hemel schetste haar ontwikkeling als een ‘Groot Amsterdam’. Niet technisch-realistisch zoals in het Atelier Zuidvleugel maar eerder speculatief-imaginair, een theoretische exercitie: ‘maak van de Amsterdamse regio binnen twintig jaar een metropool’. Met een degelijk staaltje citymarketing moet het ‘merk Amsterdam’ worden ‘geladen’. Beginnend met de herbouw van de Haringpakkerstoren aan de Singel, via de aanleg van een ‘Las-Vegas-strip’, de verplaatsing en herbouw van het red-light-district parallel hieraan, tot de aanleg van een nieuwe parkway rond ‘Groot Amsterdam’ en natuurlijk het doortrekken van de Noord-Zuidlijn tot aan Schiphol, nam Zef Hemel als volleerd sprookjesverteller het publiek mee in de droom van een metropolitaan Amsterdam.

Hoe verschillend ook qua vorm, de overeenkomst tussen de twee presentaties is opvallend: in beide gevallen worden de draadjes met de andere vleugel doorgeknipt. Zowel de Noord- als de Zuidvleugel zijn zich volledig bewust van de fictieve grens, maar richten zich toch op de eigen vleugel. Een natuurlijk gevolg van de Nota Ruimte waarin het rijk bepaalde dat deze regio’s (Noordvleugel, Zuidvleugel, het Groene Hart en Zuidoost-Brabant/Noord-Limburg) een eigen ‘programma’ kregen, inclusief eigen programmaminister. Maar die tijd is voorbij: het nieuwe kabinet besloot dat er weer één programma moest komen voor de Randstad. Dit is het Urgentieprogramma Randstad (UpR) waar sinds het aantreden van het kabinet samen met de vier provincies en vier grote gemeenten in de Randstad koortsachtig aan is gewerkt.

Bij de start van het einddebat was reeds aangekondigd dat minister van VROM Jacqueline Cramer later zou aanschuiven. En zo geschiedde: de minister sloot de bijeenkomst af met een toelichting op haar eigen agenda. Want het Urgentieprogramma Randstad valt weliswaar onder verantwoordelijkheid van collega V&W-minister Eurlings, ‘het moet wel worden geplaatst binnen een lange-termijn visie op de Randstad’. Refererend aan de jury die aan de inzenders van de tentoonstelling De Nieuwe Nederlandse Stad (waaronder DRO en Atelier Zuidvleugel) geen prijs wilde uitrijken – de jury was van mening dat ‘geen van de inzendingen werkelijk nieuwe inzichten opleverde en met concrete en verrassende oplossingen voor de problematiek van de Randstad kwam – kwam minister Cramer tot de conclusie dat die lange termijn visie juist de opgave zou moeten zijn voor de minister van VROM.

Het ontbreekt op dit moment aan een gedegen perspectief op de Randstad als geheel, in ieder geval bij de bestuurders; zoveel werd in het debat wel duidelijk. Tegelijk biedt het werk van zowel DRO als Atelier Zuidvleugel een startpunt voor dit Randstadperspectief. Hoewel dit niet blijkt uit de productie ten behoeve van de biënnaletentoonstelling, lieten de presentaties wel zien wat het werk heeft opgeleverd. Meer nog dan de gebiedsafbakening gaat het om de aanpak: er zijn nieuwe strategieën ontwikkeld voor de planning op de regionale schaal. Zowel de technocratische planning van het Atelier Zuidvleugel als de narratieve planning van DRO kunnen ook op Randstadschaal van betekenis zijn. Beiden lijken bovendien een illustratie van de noodzaak van een vrije denkruimte op enige afstand van de alledaagse plannenmakerij. Hopelijk laat de minister zich hierdoor inspireren.