Feature —

Ongelijke stedelijke ontwikkeling

Gideon Boie

In het kader van het thema ‘Power’ organiseerde het Berlage Instituut een debat over ‘ongelijke grootstedelijke ontwikkeling’ met Peter Nietzke, Elisabeth Blum en David Harvey. Terwijl Nietzke en Blum een aantal architecturale oplossingen voor het probleem van de ongelijke ontwikkeling bespraken, richtte Harvey zich op de bijdrage van de architectuur aan dit probleem.

Peter Nietzke en Elisabeth Blum, beide architect en auteur van de publicatie FavelaMetropolis, brachten een optimistisch verhaal over Braziliaanse krottenwijken als Copacabana en Favela-Bairro. Ze waren niet zozeer positief over het leven in de krottenwijk zelf – toch het symptoom bij uitstek van ongelijke metropolitaanse ontwikkeling. Hun verhaal ging over de onbaatzuchtige inzet van architecten ter verbetering van het leven in de krottenwijken. Zo is er het officiële programma om Favela-Barrio (Rio de Janeiro) te integreren met omliggende, meer welvarende wijken door op strategische locaties publieke voorzieningen te realiseren waardoor mensen van verschillende afkomst en klasse op quasi natuurlijke wijze met elkaar mengen. Ook de legalisatie van de grondeigendommen in de krottenwijken zien Nietzke en Blum als een positieve stap omdat de krotbewoners nu eindelijk als eigenaar van hun eigendom konden acteren. Ze spraken hierbij met afkeer over de kritiek van Mike Davis op de ‘zelfhulp’ programma’s waarmee globale instituties als de Wereldbank de arme landen zoet houden. Hun bewondering ging uit naar het pleidooi van de econoom Hernando De Soto om via allerlei hulpmiddelen de informele economie in het Zuiden te integreren in de globale economie van het Noorden.

Deze onbekommerde aandacht voor de rol van architecten deed bij antropoloog David Harvey de wenkbrauwen fronzen. Hij raadde aan om, in plaats van de officiële ideologie te volgen, na te gaan welke sociale organisaties er in deze krottenwijken actief zijn. Hoe denken zij over deze nobele programma’s? Het mag dan wel fantastisch klinken dat nu ook krotbewoners eigendom over onroerend goed verwerven, en dat deze bewoners nu ook ‘volwassen’ worden behandeld (zoals Blum het uitdrukte), het verandert echter niets aan de ongelijke ontwikkeling in steden. Eerder integendeel, het belangrijkste gevolg van Margaret Thatchers privatisering van een deel van de sociale woningbouw in Groot-Brittannië in de jaren tachtig, was een nieuwe ronde van landspeculatie en een woonverdringing van zwakke groepen naar onaantrekkelijke woongebieden. Harvey merkte hierbij fijntjes op dat ‘niets meer ongelijk is dan de gelijke behandeling van ongelijken.’

In de stedelijke planning volgen golven van idealisme en marktfatalisme elkaar snel op. De vraag welke steden we willen – en dus ook welke mensen we willen zijn – is enkel te beantwoorden door het overdenken van het belangrijkste probleem van het historische kapitalisme: dat is het ‘capital surplus disposal problem’. De ‘kapitalist’, zo onderwees Harvey, moet om zijn winsten aan het eind van de dag te laten renderen, herinvesteren en méér geld maken. Hiertoe is het belangrijk om toegang te hebben tot gedisciplineerde arbeidskrachten (liefst niet georganiseerd), tot bronnen (desnoods via kolonisatie), tot afzetmarkten (via de creatie van een vraag of het toestaan van leningen) en tot relatieve monopolies (om zo af te rekenen met concurrenten).

De stelling van Harvey was dat niet alleen politiek, maar ook stedenbouw een belangrijke rol heeft gespeeld in het oplossen van deze problemen. Zo waren de grote werken van baron Hausmann (en het ter beschikking stellen van kredieten aan toekomstige woonconsumenten) dé oplossing in het Frankrijk ten tijde van het Tweede Keizerrijk om kapitaal en arbeid aan het werk te zetten. Een gelijkaardig proces trad op in 1942 in de Verenigde Staten. Niet alleen de Tweede Wereldoorlog, maar ook het lanceren van een stedelijk vernieuwingsoffensief (het herschalen van de grote steden en de massale suburbanisatie) bleek een prima mogelijkheid om het land uit de Grote Depressie te verheffen. Tenslotte, blijkt ook vandaag de huidige bouwwoede in China de redding van de Amerikaanse economie, doordat het een prima uitlaatklep vormt voor kapitaal dat vrijkomt uit de Amerikaanse vastgoedmarkt.

Dat alle historische successen van het kapitalisme steevast uitdraaiden op een financiële crisis (in Frankrijk kwam het tot de Parijse Commune, in de VS tot de vrouwen- en burgerrechtenbeweging) toont volgens Harvey de ware aard van de kapitalistische stedelijke ontwikkeling. Het mag dan wel hier of daar een succesje realiseren, het gaat altijd gepaard met een crisis elders. Het neoliberalisme mag deze crisis vandaag dan wel tijdelijk uitstellen (door ervan uit te gaan dat klasse- of ruimtelijke ongelijkheden natuurlijke fenomenen zijn) het toont dat de burgerlijke klasse slechts één oplossing heeft voor haar probleem: ‘it moves it around’. Hiermee gaf Harvey een scherp antwoord aan Nietzke en Blum: als we niet verstaan hoe het kapitaal gegenereerd, gecirculeerd en weggezet wordt… is de stedelijke ontwikkeling – ook van de krottenwijken – gedoemd in deze molen mee te draaien. En, in dat geval kan het dus best voorkomen dat architecten juist in hun beste bedoelingen het systeem van ongelijkheid gewoon in stand houden.