Feature —

Optisch spektakel

Mieke Dings

De Ciné-dancing die Van Doesburg in 1926 voor de Aubette in Straatsburg ontwierp, was zijn tijd ver vooruit. De zaal bood niet alleen ruimte aan verschillende vermaaksvormen als dans, diner, film en muziek, maar schiep tevens de dynamische sfeer die hierbij paste. Van Doesburg zette vooral kleur in om deze sfeer te versterken, want ‘zonder kleur is architectuur uitdrukkingsloos en blind’. In de originele ontwerptekeningen van de Ciné-dancing en de Salle des Fêtes, die het NAi samen met enkele historische foto’s en schaalmodellen toont, spatten de kleuren dan ook van het papier.

Vanaf 1926 werkte Van Doesburg samen met het echtpaar Hans Arp en Sophie Täuber – de oorspronkelijke opdrachtnemers die zijn hulp hadden ingeroepen – aan de renovatie van het interieur van de achttiende-eeuwse Aubette. De kazerne, in de negentiende eeuw al omgebouwd tot concertgebouw en café, was tijdens de Frans-Duitse oorlog in 1870 volledig uitgebrand. Van Doesburg nam de taak op zich om de renovatie te leiden en de publiciteit te verzorgen. Hoewel hij waarschijnlijk ook aan de route door het hele gebouw en de overgangen tussen de verschillende zalen ontworpen heeft, drukte hij vooral zijn stempel op de twee bovengenoemde zalen. Hiervoor maakte hij het totaalontwerp, van plattegrond en gevelindeling tot verlichting en radiatoren.

Voor Van Doesburg, die tot dan toe vooral kleurenschema’s voor gebouwen van andere architecten gemaakt had – vooral zijn samenwerking met Cornelis van Eesteren was intensief en eindigde dan ook in een ruzie over het auteurschap van de projecten – boden de zalen een unieke kans om zijn ideeën over beeldende architectuur te demonstreren. Als grondlegger van De Stijl beschouwde hij kleur als een wezenlijk onderdeel van de architectuur. In plaats van deze te gebruiken ter decoratie, zoals in voorgaande eeuwen vaak gebeurde, of juist helemaal uit te bannen, zoals verschillende modernistische tijdgenoten deden, zette Van Doesburg kleur in om de ruimtewerking van architectuur meerduidig te maken. Kleurtoepassing kon een ruimte optisch zo vervormen dat de beschouwer deze niet meer vanuit één punt zou kunnen waarnemen en begrijpen. Zo hoopte Van Doesburg de vierde dimensie, namelijk die van de tijd, in zijn ontwerpen te vangen.

Dit principe wordt vooral zichtbaar in het ontwerp van de Ciné-dancing. Waar het patroon in de linoleumvloer de heldere plattegrondindeling nog ondersteunt, zaaien de volgens diagonale lijnen geordende kleurvlakken op wanden en plafond verwarring over de werkelijke afmetingen van de ruimte. Juist omdat het patroon van de wanden niet naadloos overloopt in dat van het plafond, maar eerder botst en wringt, lijken de vlakken oneindig door te gaan. Het reliëf van de vlakken – ze komen letterlijk een paar centimeter naar voren – en de optische werking van de toegepaste kleuren, zetten de bezoeker nog meer op het verkeerde been. De enige wand die geen kleurvlakken telt, is die aan de straatzijde van de Aubette. Hier zorgt het patroon van ramen en spiegels echter weer voor een ander ruimtelijk effect.

De Ciné-dancing was daarmee één groot optisch spektakel dat het dynamische aspect van het moderne leven in vorm en kleur uitdrukte. Hoewel het ontwerp ons pretmensen, gewend aan de ruimtelijke vervorming van de Villa Volta in de Efteling of projectieschermen in de discotheek, niet zo duizelingwekkend voorkomt, vonden de Straatburgers van toen het maar druk en vreemd. Al een week na de opening in 1928 moesten de ranke stoelen plaatsmaken voor donkere, typische Elzasser varianten, verschenen er bloemen op tafel en kreeg het plafond wolkenschilderingen. Van Doesburg was woedend over de veranderingen en verweet zichzelf werkelijk te hebben geloofd in de waardering voor zijn werk in Straatsburg, ‘het achterlijkste nest van heel Europa’ (1). Tien jaar later werd zelfs het hele interieur vervangen en bleef van de kleurvlakken niets over.

Dat dacht men althans tot in 1984. In dat jaar werden enkele originele verflagen ontdekt, die een exacte restauratie van de twee zalen mogelijk maakten. De restauratie van de Salle des Fêtes is onlangs pas volledig voltooid en dat was dan ook de aanleiding voor het NAi om de ontwerpen van Van Doesburg in de schijnwerpers te zetten. De eerdere restauratie van de Ciné-dancing was al in 1996 gevierd met onder anderen de verschijning van de documentaire over de Aubette door Frank Alsema. De in de tentoonstelling opgenomen documentaire geeft verschillende ontwerpers, waaronder Wim Crouwel, Anton Beeke, Benno Premsela en Carel Weeber, het woord over dit ‘virtuele heiligdom dat je alleen van plaatjes kende’ (Weeber). Hilarischer dan deze verhalen, zijn echter de momenten dat de ontwerpers de ruimte beleven zoals die bedoeld was, namelijk al dansend. Jawel: de heren leiden de ingehuurde danseressen soms opvallend behendig (Weeber) of met bravoure (Peter Struyken), soms enigszins verlegen (Ger van Elk) over de dansvloer van de Ciné-dancing.

Alleen die documentaire is al een bezoek aan de tentoonstelling waard. Daarnaast verdienen de kleurige tekeningen met nauwkeurige instructies van Van Doesburg aan de uitvoerder – waarschijnlijk lag een eerder per ongeluk in spiegelbeeld uitgevoerd ontwerp nog vers in het geheugen – de aandacht. Het zijn immers enkele van de weinige werktekeningen uit het oeuvre van Van Doesburg, omdat de meeste van zijn ontwerpen überhaupt nooit tot realisatie kwamen. Bovendien maken de tekeningen iets van die inmiddels iconische ruimte voelbaar. En dat brengt me op een volgende reden om de tentoonstelling te bezoeken: de petitie die het NAi opstelde met het verzoek aan de burgermeester van Straatsburg om de gerestaureerde zalen voor publiek open te stellen. Die zijn tot op heden namelijk nog altijd gesloten, ondanks verschillende pogingen van de eveneens in Straatsburg residerende l’Association Theo van Doesburg. Dus wie ooit eens à la Weeber zijn armen om de taille van schone danspartner wenst te vleien in de totaalervaring die de Ciné-dancing biedt, onderteken die petitie!