Recensie —

Grote kleine tijdschriften

Rixt Hoekstra

Een sterk punt van Documenta 12 in Kassel is de aandacht voor het fenomeen van het kritische kunsttijdschrift. In het project Documenta 12 magazines worden negentig geëngageerde kunsttijdschriften voorgesteld als partners in een cultureel, wereldomspannend netwerk van ‘media organizations’.

In een geglobaliseerde wereld proberen tijdschriften als Third Text, Critical Enquiry en Multitudes opnieuw betekenis te geven aan thema’s als kunsteducatie, kritiek en esthetisch oordeel, zo stellen de curatoren. In dit kader werd het Duitse Archplus gevraagd te reflecteren over het functioneren van een architectuurtijdschrift in tijden van ‘de digitale dominantie van communicatie- en kennis netwerken’. Om aan dit verzoek te voldoen ontvouwt Archplus op de Documenta een bonte mengeling aan initiatieven. De burelen van Archplus zelf worden er tentoongesteld in de vorm van een ‘open kantoorlandschap’, waarmee de makers het non-hiërarchische, democratische ’68 karakter van het tijdschrift willen benadrukken. Vanuit dezelfde gedachte wordt aan de bezoekers van de Documenta gevraagd om de inhoud van de komende nummers van Archplus te bepalen, aan de hand van een lange lijst met mogelijke thema’s. Tot de serie van initiatieven behoorde ook een bezoek van Rem Koolhaas aan het tijdelijke kantoor van het tijdschrift. Samen met de Zwitserse curator Hans-Ulrich Obrist hield hij op 5 augustus een zogenaamde ‘interviewmarathon’, een herhaling van het concept dat zij vorig jaar in het Serpentine Paviljoen in Londen uitvoerden. Tien uur lang (in Londen duurde het vierentwintig uur) trok een bonte stoet van Duitse filmmakers, schrijvers, journalisten, historici en architecten voorbij. Gedurende een kwartier vertelden zij iets over hun visie op de stad en over de achtergronden van hun werk. Zo zapten Koolhaas en Obrist zich als het ware een weg door de Duitse cultuur, op een discontinue manier die doet denken aan boeken als Content of S,M,L,XL. Toch kwam het gesprek in Kassel niet echt op gang. Het leek alsof de gesprekpartners te weinig vertrouwd waren met elkaar, waardoor er geen echte dialoog ontstond. Er werd vooral veel langs elkaar heen gepraat.

boven: tentoonstelling Clip/Stamp/Fold (foto: Fabian Lux / onlab)
midden: detail Clip/Stamp/Fold (foto: Rixt Hoekstra)
onder: het tijdschrift Provo (foto: Rixt Hoekstra)

Het inhoudelijke zwaartepunt van de Archplus-manifestatie wordt gevormd door de tentoonstelling Clip/Stamp/Fold: The radical architecture of Little Magazines, die voor een deel in Kassel te zien is. Samengesteld door architectuurhistorica Beatriz Colomina en haar studenten van Princeton University, zet de tentoonstelling een stoet van avant-gardistische architectuurtijdschriften uit de jaren zestig en zeventig in de schijnwerpers. Juist deze ‘kleine’ tijdschriften, vaak met een beperkt budget gemaakt en meestal al na enkele nummers gestaakt, hadden volgens de samenstellers een groot kritisch potentieel. Indrukwekkend is de ingang van de tentoonstelling, waar op een enorm behang meer dan honderd covers van zo’n negentig tijdschriften zijn samengebracht. Te zien zijn bijvoorbeeld de Casabella uit de jaren zeventig met Kingkong op de voorkant en de vroege nummers van Archigram uit de jaren zestig. Maar er zijn ook voorkanten te ontdekken van tijdschriften die minder bekend maar zeker zo interessant zijn, zoals de Italiaanse tijdschriften Harck en Fotoromanzo. De skyscrapers in Manhattan zijn er van Zwitserse Kaas, robots doen het met elkaar, en het Guggenheim wordt aangevallen door een olifant. Ook het Nederlandse tijdschrift Provo, met een coverstory over de voor-en nadelen van frisse lucht, ontbreekt niet.

Toch gaat het hier om veel meer dan een soort flauwe meligheid. De tentoonstelling maakt duidelijk hoe juist de combinatie van intellectuele speelsheid en een enorme vindingrijkheid tot vernieuwing kon leiden. Onafhankelijk van geldvragen of publiekswensen deden de tijdschriftenmakers gewoon hun ding. Dat wil zeggen, ze hadden een duidelijke boodschap en zetten die zonder meer op papier. Het tijdschrift Archigram toonde bijvoorbeeld de architect als een mega-coole superheld uit een stripverhaal, waarmee het dogmatische karakter van het naoorlogse modernisme belachelijk werd gemaakt. Op haar beurt werd Archigram weer mikpunt van kritiek, toen het tijdschrift ARse in de jaren zeventig een artikel publiceerde met de titel Archigoon wins at Monte. Naar aanleiding van een ontwerp voor een vrijetijdscentrum in Monte Carlo werd Archigram een obsessie voor pop- en consumentencultuur verweten, voorbijgaand aan de sociale aspecten van architectuur.

Het verrassingseffect van deze tentoonstelling is misschien ook zo groot omdat we tegenwoordig gewend zijn geraakt aan hippe gladde tijdschriften, perfect gemaakt op de computer, volgens de laatste modetrends. Tegenover de geliktheid van het architectuurtijdschrift anno 2007 staat de slagkracht van het geïmproviseerde, niet-perfecte tijdschrift van toen – dat lijkt de kritische boodschap van deze tentoonstelling. Wat indruk maakt is de energie en het kritisch potentieel van de in elkaar geflanste blaadjes, gebaseerd op de idee dat architectuur ertoe doet, dat zij zelfs de wereld zou kunnen veranderen. Het is de vraag wat de glossy’s van nu daar tegen over zetten.