Feature —

Jean Prouvé – de poëzie van het technisch object

Peter Drijver

De tentoonstelling Jean Prouvé – de poëzie van het technisch object is nog tot 2 september in het NAi Maastricht is te zien. Volgens Peter Drijver een bezoek meer dan waard.

Niet de inrichting maakt de tentoonstelling bijzonder – de ruimte is heel obligaat met rollen golfplaat in ‘separeetjes’ ingedeeld – en de tentoonstelling moet het ook niet hebben van zijn uitlichting of de ambiance van de grauwe Wiebenga-hal. Het is de optimistisch stemmende stoet maquettes, gevelpanelen, gebouwfragmenten, foto’s en meubels die deze tentoonstelling aantrekkelijk maakt. Het ‘maken’ van gebouwen zoals Prouvé dat zag wordt in beeld gebracht: het ‘assembleren’ van gebouwonderdelen in de werkplaats en het ‘bouwen’ door die onderdelen op de bouwplaats samen te stellen.

De expositie is – evenals de gelijktijdig in Rotterdam opgestelde Le Corbusier-tentoonstelling – een initiatief van de verlichte meubelfabrikant Vitra en lijkt een manmoedige poging in deze tijd van nostalgie de absolute hoogtepunten van het modernisme weer tot leven te wekken voor een jonge generatie. In een tijd waarin het uitvoerend bouwbedrijf en de industrie zich op grote afstand van de ontwerper hebben verschanst, doet het werk van Prouvé een beroep op de ambachtelijkheid van hedendaagse ontwerpers om zich vorm en constructie toe te eigenen en beide te betrekken bij vernieuwing.

Tentoonstelling en catalogus zijn van de hand van Bruno Reichlin, Catherine Coley en Catherine Dumont d’Ayat. Zij zijn er in geslaagd Prouvé’s werk van zeer verschillende kanten te belichten. Zo is er de traditionele lezing van Prouvé’s werk als een alfabet: de Franse constructeur, ondernemer en ontwerper had verschillende uitgewerkte concepten voor draagconstructies, gevelpanelen en vliesgevelsystemen, die elkaar zowel in constructie als in vorm aanvullen. Daarnaast worden vanuit de ontwikkeling van de afdichting van de naad tussen gevelelementen verschillende lijnen uitgezet naar gevelpanelen met geïntegreerde dichtingsystemen en inklemmende vliesgevelsystemen. Met name de knowhow van het werkverband Risselada/De Jong aan de TU Delft wordt hier weer eens naar voren gehaald. Verder is er een thematische ruimte ingericht voor de kleine geprefabriceerde woonhuizen, het meubilair, productiemiddelen, getalenteerde medewerkers en de samenwerking met architecten als Charlotte Perriand en Pierre Jeanneret.

boven: Paviljoen voor het eeuwfeest van aluminium, Parijs, 1954.
beneden: Demonteerbaar huis, 6 x 6 m, 1944-45.

Nieuw is de nadruk op het werk dat Prouvé maakt kort nadat hij uit zijn eigen fabriek in Nancy is gezet (1). Door Prouvé onveranderlijk een schande genoemd; hij verloor daardoor contact en terugkoppeling met fabricage en uitvoering. In die achteraf bezien vruchtbare periode bouwt hij zijn eigen huis, een proefwoning voor Abbé Pierre, de drinkhal in Evian en het paviljoen voor het 100-jarig bestaan van L’Aluminium Français. Allen projecten die op hun eigen manier een uitzonderlijke architectonische uitdrukking hebben en een uitgebalanceerde constructie. Het is voor het eerst dat in een tentoonstelling en publicatie wat uitgebreider stil wordt gestaan bij het gecompliceerde en ambachtelijke constructieprincipe van het dunne gebogen dak van de hal in Evian: feitelijk een 13 centimeter dikke voorgespannen doosligger. De onveranderlijke moderniteit, elegantie en aantrekkingskracht van dit ontwerp – als een DS of Panhard uit 1955 – dwingt ons hedendaagse ontwerpers de luciditeit ervan te begrijpen.

Het is wonderlijk dat zoveel constructieprincipes van Prouvé ondertussen zijn ingeburgerd maar tegelijkertijd hun formele zeggingskracht hebben verloren: gehard glas direct bevestigd op een achterconstructie, gepotdekseld glas, gebogen wanden en daken waar het glas- of gevelelement voor de ronding zorgt en niet het koppelstuk ertussenin. Allemaal gemeenplaatsen in de industrie, waarbij karakter of decoratie door een sierlijst moet worden bepaald. Het is even verbazingwekkend dat de ‘blob-architecten’ zo blijven steken in computersoftware zonder dat gebruik en productie van de daadwerkelijke gebouwen tot vormwinst leidt.

Opvallend is ook dat in een tijd waarin hightech architecten in Europa de overheidsarchitectuur zijn gaan bepalen, zoveel gebouwen van Prouvé liefdeloos zijn neergehaald of slechts armetierig zijn gerestaureerd (2). In de catalogus is een artikel opgenomen van Axel Venacque waarin wordt toegelicht waarom bij de gedeeltelijke reconstructie in Villepinte van het paviljoen voor het 100-jarig bestaan van Aluminium Français de fraai geperste geribde panelen niet opnieuw zijn gemaakt: de malkosten zouden 100.000 euro zijn geweest. Deze panelen zijn onverbrekelijk onderdeel van het paviljoen en het lijkt onvoorstelbaar dat een dergelijk klein bedrag niet opgebracht zou kunnen worden door de steenrijke jetset die de internationale grote ‘hightech’ architectenbureaus leidt.

De herwaardering van Prouvé begon in de jaren negentig met de herontdekking van zijn meubels. Prouvé als Franse representant van de ‘spoetnikstijl’ met Serge Mouille en de Citroën DS (3). Nu het economisch beter gaat zijn de antiquairs ten tonele verschenen. In de Verenigde Staten worden topbedragen betaald voor Prouvé meubilair en in Frankrijk zijn alle bronnen ongeveer leeg geplunderd. Enkele jaren geleden bracht Eric Touchaleaume op spectaculaire wijze de drie prototypes Type Tropique terug naar Frankrijk – volledig gemeubileerde prefab huizen van Prouvé die rond 1950 per vliegtuig naar Niamey en Brazzaville verstuurd waren. Eén ervan werd verkocht aan een Amerikaanse verzamelaar die het gebouwtje op Yale exposeerde (4). Een ander is herbouwd in Zuid-Frankrijk als dependance van Galerie 54.

Op deze ‘Vitra’ tentoonstelling is het meubilair natuurlijk pontificaal in beeld gebracht zoals een fraaie, bijna volledig overzicht Chaise Standard, maar ook de fiets is er present, de tafels en de klap- en rolmeubelen. Aan het eind van de tentoonstelling, achterin en eenzaam op zolder, staan de fauteuils, salontafel en Serge Mouille-lamp uit de woonkamer van Prouvé bijeen. Eén keer was ik bij het echtpaar Prouvé op bezoek, in 1980: die lege zithoek in Maastricht nu vond ik een mislukte herschepping van authenticiteit. Toppers van de tentoonstelling: drinkhal Evian, gevelpanelen Square Mozart Parijs en schoolmeubilair Vantoux – en vergeet niet de catalogus te kopen.