Recensie —

Licht

Vincent van Rossem

Het gebouw van de Nederlandsche Handelmaatschappij aan de Amsterdamse Vijzelstraat was natuurlijk niets anders dan een gigantisch koloniaal rovershol: een onaangenaam bastion op een vijandige hoge plint van groengrauwe natuursteen. In dit ontwerp uit 1919 van K.P.C. de Bazel, alom geprezen als zijn meesterwerk, komen werkelijk de meest onaangename karaktertrekken van de vooroorlogse Nederlandse samenleving tot uitdrukking.

In deze monoliet werd de verkapte slavernij van het cultuurstelsel dat in ‘Nederlandsch Indië’ woekerwinsten opbracht met onbeschaamde pracht en praal gevierd. De bovenbazen van deze duistere organisatie beschouwden natuurlijk ook het Nederlandse personeel in Amsterdam als klootjesvolk. Klerken moesten rennen en zwijgen. In deze rigide standenmaatschappij wist iedereen zijn plaats. De architect had zijn best gedaan om de onaangename geest van de Handelmaatschappij tot in de kleinste details uit te werken. Men wist zelfs letterlijk zijn plaats, want hoe belangrijker de functie, des te mooier de stoel.

Het spookhuis van De Bazel is na de Tweede Wereldoorlog permanent gemoderniseerd, en zo is in de loop der jaren veel van de ‘oude luister’ verdwenen. De grote hal op de begane grond en veel kantoorruimten werden ontdaan van hun deprimerende deftigheid en kregen een fris eigentijds uiterlijk. Deze stevige aanpak heeft de weg gebaand voor de recente modernisering van het gebouw. Door een speling van het noodlot werd Claus en Kaan Architecten, een bureau dat bepaald niet bekend staat om zijn liefde voor historische meuk, geconfronteerd met de opdracht om het protserige hoofdkwartier van het Nederlandse kolonialisme te transformeren tot een transparant gebouw voor het Stadsarchief, met het Bureau Monumenten en Archeologie als huurder op de eerste verdieping.

Omdat het gebouw een rijksmonument is, moest natuurlijk alles wat nog herinnert aan De Bazel weer keurig worden opgepoetst. Zo is er nu een wat wonderlijk mengsel ontstaan van stijlkamers en radicaal modernisme. Men kan nog altijd een redelijke indruk krijgen van de beklemmende wereld van de vooroorlogse Handelmaatschappij. Het oude trappenhuis is behouden gebleven, evenals een aantal kantoorruimten op de tweede etage. Ook de directiekamers op deze etage en de vergaderzalen een verdieping hoger laten nog prachtig zien hoe men vroeger dacht over sociale status. Veel mooi hout, waarvoor ook toen al tropisch regenwoud werd omgezaagd. Maar werkelijk kunstzinnig is het allemaal niet, omdat, zoals Ruskin al in de negentiende eeuw had uitgelegd, echt goed ambachtelijk werk alleen tot stand komt als ambachtslieden hun eigen fantasie mogen gebruiken. De detaillering is overal vlak en doods.

Bij de recente verbouwing zijn twee enorme gaten in de plint gemaakt, links en rechts van de hoofdingang aan de Vijzelstraat. De monumentenzorg vond dit uiteraard een bedenkelijke ingreep, maar de winst is groot. Men kan nu vanaf de straat dwars door het gebouw heenkijken, naar het lommerrijke binnenterrein. De twee gaten openbaren tevens de verborgen charmes van het ontwerp. De Handelmaatschappij is namelijk in één opzicht wel degelijk modern: het betonskelet, ontworpen door het Bureau Van Gendt, en het atrium in het hart van het gebouw. Deze boden de mogelijkheid om een groots ruimtelijk gebaar te maken, Claus en Kaan Architecten heeft deze kans met beide handen aangegrepen.

De grote publieksruimte van het Stadsarchief op de begane grond is ronduit schitterend. Alleen in het oude stadhuis op de Dam, in de Beurs van Berlage en in het Rijksmuseum zijn vergelijkbare ruimten te vinden. Na het hokkerige portiekje aan de Vijzelstraat wordt de bezoeker overweldigd met licht en ruimte. Via de glaskap van het atrium en de prachtige hoge ramen aan de achterzijde van het gebouw stroomt het licht door een middenschip dat niets anders is dan een betonskelet, genadeloos hard wit geschilderd. De ironie van de architectuurgeschiedenis heeft de derderangs architect van toen, A.D.N. van Gendt, naar voren gehaald. Het betonskelet, destijds een noodzakelijk kwaad, is weergaloos tot spreken gebracht in het gemoderniseerde gebouw.

Afgezien van zijn wat kleinburgerlijke interieurs heeft ook De Bazel hier en daar bewezen een werkelijk goede architect te zijn. De prachtige ramen aan de tuinzijde op de begane grond zijn al genoemd, maar ook de eerste etage, waar het Bureau Monumenten en Archeologie sinds kort huist, is voorzien van werkelijk glorieuze ramen. Dit is een tussenverdieping met een benepen verdiepinghoogte, bestemd voor inferieur werkvolk, maar De Bazel wilde dit niet tot expressie brengen in het exterieur. Om de maatvoering van de ramen niet te verstoren, heeft hij deze verdieping voorzien van ramen die van het plafond tot de vloer reiken. Moderner en mooier kan het bijna niet, en bovendien is alle zwaarwichtige narigheid van de Handelmaatschappij op deze verdieping reeds lang spoorloos verdwenen. Het betonskelet van Van Gendt en de ramen van De Bazel, gelukkig door Claus en Kaan aan de binnenzijde voorzien van strak gedetailleerde dubbele beglazing, vormen hier een architectonische collage die bepaald meer is dan de som der delen. Het Bureau Monumenten en Archeologie huurt in feite een riante verdieping. Helaas hebben de medewerkers van deze organisatie nog veel oud papier nodig om hun werk te doen. Zo is ook hier de ware leegte die het modernisme nastreeft nog niet tot stand gekomen, maar Van Gendt, De Bazel en Claus en Kaan hebben hier wel bijna perfecte voorwaarden geschapen voor het denken over erfgoed.