Feature —

Wat wil Ole Bouman?

Piet Vollaard en Marina van den Bergen

Sinds 1 april 2007 is voormalig hoofdredacteur van Archis/Volume, Ole Bouman (1960) directeur van het Nederlands Architectuur instituut. Bouman ziet het NAi als een medium dat, naast de reguliere taken, zaken aan de orde kan stellen die architectuur ook op langere termijn relevantie en rechtvaardiging verlenen.

Architectuur is behalve een metier, vooral een venster op de wereld en kan als instrument worden ingezet om maatschappelijke veranderingen tot stand te brengen. Het is een boodschap die je al jaren verkondigt tijdens lezingen, middels manifestaties als de RSVP events, en natuurlijk in Archis/Volume. Waar komt dit geloof in de potentie van architectuur vandaan?

Ik zie steeds sterker een verband tussen mijn familieverleden en mijn ideeën met betrekking tot architectuur. Mijn ouders kwamen uit verwoeste steden, mijn moeder uit Hamburg en mijn vader uit Arnhem. Beiden hadden weinig andere keus dan vooruit te kijken, via ontkenning probeerde ze weer greep op de wereld te krijgen. De wederopbouw en de naoorlogse moderne architectuur waren voor hen het bewijs dat het leven weer aanvang had genomen in een nieuwe wereld. Zelf groeide ik op in suburbane jaren 50 wijken, zichtbare bewijzen van een nieuwe, betere toekomst en het tastbare bewijs dat het lot naar eigen hand kan worden gezet. Tijdens mijn studie kunstgeschiedenis kwamen voorbeelden voorbij waarbij architectuur het krachtigste middel bleek te zijn om niet alleen je persoonlijke lot, maar ook het lot van je volk of zelfs van de hele mensheid vorm te geven. Ik ben voor die ambitie ongetwijfeld extra gevoelig.

Waarom besloot je eigenlijk architectuurgeschiedenis te gaan studeren?

Ik ontdekte architectuur als de ideale bron van geschiedschrijving. Architectuur bleek agendavormend te zijn; spreken over architectuur is spreken over oneindig veel onderwerpen. Architectuurgeschiedenis is een perfect voorwendsel om je met van alles te bemoeien. Voor mij was het geen studie van het verleden maar bood het de mogelijkheid om lijnen te onderkennen die ik kon doortrekken naar de toekomst. Tot aan het heden is geschiedenis een perfecte studie om die draden te weven, architectuur bleek de perfecte studie om die draden door te trekken naar de toekomst.

Wat mij motiveert is om, ondanks de dagelijkse beslommeringen die het vak architectuur kenmerken, als het vullen van opdrachtportefeuille, of antwoord geven op de vraag van een opdrachtgever, iets van het vak architectuur overeind te houden wat het al duizenden jaren kenmerkt, namelijk het vermogen om ondanks al die vormen van druk de lange termijn in de gaten te houden; een agenda te zijn van, een voorstel tot, een podium voor.

Hoe kwam je op de bouwkunde in Delft terecht?

Ik heb daar nooit ingeschreven gestaan. Tijdens mij studie leerde ik Roemer van Toorn kennen, die toen in Delft studeerde. We besloten voor Stylos een lezingenreeks te organiseren. Dat koste zoveel tijd, dat ik meer tijd op de TU heb doorgebracht dan op het kunsthistorisch instituut. De voorbereidingen startten in 1984, de lezingenreeks werd gehouden in het studiejaar 1987/1988 en de publicatie die daar uit voortvloeide kwam uit in 1994. In die tien jaar woonde ik in Delft lezingen en colleges bij, zat ik maanden in de bibliotheek en kocht de halve bookshop leeg.

De lezingenserie viel uiteen in twee delen. In het najaar kwam de theorie aan bod, waarbij we wetenschappers uitgenodigden om te spreken over hun discipline in relatie tot architectuur. Zo sprak Ernest Mandel over de economie van de bouw en, dat zal ik nooit vergeten, poneerde een theorie over de zwakke organische samenstelling van het kapitaal in de bouwkolom. Behalve Mandel hadden we ook antropoloog Amos Rapoport uitgenodigd en cultuurhistoricus Jean Leering. De lezingen in het voorjaar werden gehouden door toparchitecten die we met citaten uit de najaarslezingen probeerden te verleiden tot uitspraken over hun praktijk. De laatste spreker was Kenneth Frampton, hij stelde voor om al het materiaal om te vormen tot een boek. Uiteindelijke werd het zes jaar later gepubliceerd onder de titel The Invisible in Architecture.

Na het verschijnen van The Invisible in Architecture ben je een aantal jaar later hoofdredacteur geworden bij Archis. Was het ene het gevolg van het andere?

Ik werkte voor de benoeming al als zogenaamde buitenredacteur, maar de redactie van Archis was zeker bekend met de publicatie. Nog voordat het boek verscheen, waren er al een aantal interviews in Archis gepubliceerd, waaronder het interview met Denise Scott Brown. Geert Bekaert was in die tijd hoofdredacteur van Archis, dat toen nauw verbonden was met het NAi. Bekaert was door toenmalig NAi directeur Ari Duivesteijn gevraagd vanwege zijn positie als internationaal criticus – Duivesteijn beschouwde Archis als de (internationale) antenne voor het instituut. De verhouding tussen Bekaert en Duivesteijn kwam op scherp te staan toen Bekaert een artikel schreef waarin hij Coenens NAi het Versaille van de Architectuur noemde. Ik werd hoofdredacteur na een lang hoofdredacteurloos tijdperk.

Ook jij kreeg een conflict met de directie van het NAi wat uiteindelijk resulteerde in een verzelfstandiging van Archis in 2000. (Over die kwestie kunnen lezers oude ArchiNedberichten naslaan). Na bijna tien jaar hoofdredacteurschap heb je gekozen voor het directeurschap van het NAi. Stichting Archis heeft (nog) geen nieuwe hoofdredacteur benoemd, moeten we hieruit concluderen dat het tijdschrift straks weer onderdeel gaat uitmaken van het NAi?

Mijn werk bij Volume, het vervolg op Archis, is overgenomen door Arjen Oosterman. De kansen voor Volume zijn legio en samenwerken met het NAi is daar wellicht één van. Los daarvan ben ik van mening dat het NAi een sterk medium nodig heeft en dat een dergelijk medium verder moet gaan dan Het Bulletin, het magazine dat het NAi momenteel uitbrengt en vooral voor de Vrienden wordt gemaakt. Een instituut met dit soort gewicht moet meer ambitie uitstralen in de wijze waarop het ook buiten de muren van het gebouw het publiek probeert te bereiken. De vraag is wel of het medium van papier moet zijn, de mogelijkheden van web 2.0 lijken oneindig, in het bijzonder op het punt van interactie.

Waarom heb je eigenlijk gesolliciteerd naar het directeursschap van het NAi, Volume is toch nog volop in ontwikkeling?

Los van de menselijke motivatie als het opzoeken van nieuwe uitdagingen en dat soort praat, waar overigens een kern van waarheid in zit, speelt het waarmaken van ambities die niet gebonden zijn aan een medium, maar die horen bij een bepaald soort geloof wat je vak kan betekenen, wat architectuur mag zijn in deze cultuur. Ik geloof dat architectuur een instrument kan zijn om veranderingen in gang te zetten. Als architectuur alleen een metier zou zijn, is het moeilijk om het bestaan van het instituut en de collectie te rechtvaardigen. Architectuur is meer, het is een uiting van de menselijke wil om ruimtelijk iets uit te drukken, een intelligente organisatie van ruimte en daardoor een fantastisch medium. Het vak heeft genoeg veerkracht om zichzelf stelselmatig te herdefiniëren en voor zichzelf een agenda op te stellen om de toekomst vorm te geven. Architectuur heeft een culturele waarde zolang ze creatief is, innovatief, als ze verder gaat dan de vraag, anderzijds zouden architecten de condities van de realiteit beter kunnen lezen en daar hun creativiteit aan te ontlenen.

Wat is de rol van het NAi hierin?

Met het NAi wil ik zaken aan de orde stellen die de architectuur ook op langere termijn relevantie en rechtvaardiging verlenen. Concreter: door maatschappelijke opgaven aan de orde te stellen en de meest interessante antwoorden te tonen, leg je een verbinding tussen topprioriteit en topkwaliteit, tussen wat echt nodig is en wat echt kan. Op deze wijze presenteer je architectuur als het antwoord van een vak op grote vragen en met kennelijk een eigen vermogen om dat steeds weer op een andere manier te doen.

Een tweede manier is door de collectie niet alleen biografisch/chronologisch, maar ook thematisch te kunnen doorzoeken, bijvoorbeeld door te kijken hoe tweehonderd jaar architectuur in Nederland een antwoord heeft gegeven op de grote opgaven in het verleden. Het archief wordt dan een cultuurhistorische bron en zo gereactiveerd.

Kan het NAi meer zijn dan een locatie in Rotterdam met drie publieke hoofdfuncties: activiteiten, tentoonstelling en collectie? Zou je het NAi ook als een bepaald soort kracht kunnen interpreteren die activiteiten onderneemt in de geest van de ambitie om topprioriteit en topkwaliteit aan elkaar te koppelen? Niet als Guggenheim met een dependance, maar als kenniscentrum, als moderator, als organisator, als matchmaker door elders iets te organiseren, iets los te maken en in beweging brengen. Het klinkt misschien nu nog als een geforceerd optimisme, maar het moet mogelijk zijn om met het surplus dat op het NAi aanwezig is, bepaalde impasses elders in de wereld te doorbreken.

Ik zie daarom een vierde functie voor het NAi weggelegd, die van laboratorium om nieuwe vragen aan het vak architectuur te stellen.

Gaat het NAi daarmee niet voorbij de grenzen van zijn mandaat?

Architectuur wordt door de overheid beschouwd als de intelligente vorm van ruimte, het mandaat van het NAi is dus breed genoeg. De perceptie en misschien ook wel de programmering van het NAi zijn nog niet zo ver, archieven van landschapsarchitecten zijn hier niet, om maar een klein voorbeeld te noemen. Daar valt dus een hele slag te maken. Als dat lukt kun je jezelf veel zelfbewuster presenteren als het podium waar wordt gepraat over verschillende aspecten die dwars door alle schaalniveaus heen gaan. Ik zou willen dat de vele partijen die betrokken zijn bij ruimtelijke ordening, naast de ontwerpgemeenschap, het NAi zien als een plek waar ze hun inspiratie kunnen halen.

Als je in staat bent om over te brengen dat dit instituut niet alleen over architectuur gaat, maar probeert om met behulp van, of via architectuur, of door de bril van architectuur, een aantal zaken aan de orde te stellen, dat juist het architectonische perspectief ons helpt dingen scherper te zien, of helpt meer te durven of meer te willen, dan bereiken we daarmee veel meer dan met het louter recycleren van het vak. En volgens mij prima dat kan hier.

Vanaf morgen wordt alles dus anders?

Zeker, maar er zal geen knop omgaan bij het NAi. Dat kan ook niet, en daarbij, ik bepaal niet alles. Veel activiteiten, zoals tentoonstellingsonderwerpen, staan al één, twee jaar van tevoren vast. Wat ik in dergelijke gevallen zal proberen, is om andere accenten te plaatsen. Dus over morgen gesproken: op 10 september organiseren we een debat over het stedelijk model Dubai, waar de toerist het van Allah gewonnen heeft. En op de 22ste opent een tentoonstelling over Cuypers die het liefst van elk gebouw een soort kerk wilde maken. Het wordt pas echt interessant als je weet welke motivaties ten grondslag liggen aan de gebouwde ontwerpen.

Ik zie mijn inbreng echter meer in het uitzetten van een aantal hoofdlijnen over een langere periode, deze goed te bewaken, ervoor te zorgen dat ze goed uit de verf komen, en binnen die hoofdlijnen bandbreedte creëren voor goede ideeën. Voor die ideeën zullen we verder zoeken dan de reguliere stafvergadering, die ideeën zijn ook buiten de muren van het instituut, en ook soms buiten het directe vakgebied te vinden. Daarom gaan we volgend jaar een manifestatie organiseren onder de naam To Do, waarmee we willen laten zien hoeveel ruimtelijke ambities dit land eigenlijk heeft. Niet alleen de officiële ambities van overheden en vakgebieden, maar ook de informele, van particulieren en lobbies. Het NAi zal de plek worden waar het vermogen iets moois te maken wordt verbonden met het vermogen iets moois te willen. Voor het eerste hebben we een vak, voor het tweede hebben we iedereen nodig.