Recensie —

Wat Wimby Wilde

Jasper de Haan

Zes jaar lang zetten Crimson en Felix Rottenberg zich in voor Wimby!, de Internationale Bouwtentoonstelling Hoogvliet. Hoewel de herstructureringoperatie van deze Rotterdamse wederopbouwwijk nog volop aan de gang is, eindigde deze zomer het werk van Crimson/Rotterberg. In de vorm van een tentoonstelling en twee boeken verzorgden zij hun eigen geschiedschrijving. Een eerste evaluatie van het project op basis van beide publicaties en bezoek ter plaatse.

Crimson Architectural Historians (Michelle Provoost, Wouter Vanstiphout, Simone Rots en Annuska Pronkhorst) en Felix Rottenberg kregen in 2001 van de Rotterdamse wethouder Herman Meijer de opdracht om Hoogvliet hip te maken. Op dat moment lagen er al plannen om deze speciaal voor werknemers uit de petrochemische industrie gebouwde woonwijk, grootscheeps op de schop te nemen. Hoogvliet is een typische jaren vijftig wijk: monofunctioneel, decentraal gelegen, kampend met een imagoprobleem, criminaliteit en drugsoverlast, en de nabijgelegen petro-industrie ruik en hoor je. Een wijk die als veel andere wederopbouwwijken in Nederland ge-herstructureerd zou worden, lees: kleine goedkope huurwoningen van twijfelachtige kwaliteit worden vervangen door duurdere koopwoningen van even twijfelachtige kwaliteit. De ambities van Rotterdam reikten echter verder. In de architectuurnota Rotterdam 2001 pleitte wethouder Meijer voor de oprichting van de IBH (Internationale Bouwtentoonstelling Hoogvliet), de Rotterdamse IBA (Internationale Bauausstellung) variant. De vernieuwingsoperatie in Hoogvliet kreeg hierdoor een culturele component en Crimson/Rottenberg gingen aan de slag.

Wimby! (Welcome in my backyard) zoals het project zou gaan heten, is deze zomer afgerond. Ter gelegenheid hiervan produceerden Crimson/Rotterberg een tentoonstelling in museum Boijmans van Beuningen en twee boeken: het grote Wimby-boek met daarin zo’n beetje alles wat ze geschreven, gedaan en gedacht hebben in de afgelopen zes jaar, en het kleine Wimby boek waarin Felix Rottenberg middels interviews met betrokkenen lessen uit het project probeert te trekken. (Het kleine Wimby-boek maakt zo goed als integraal deel uit van het grote.)

De conclusie kan niet anders zijn dat het gelukt is; wereldberoemd en hip hebben ze Hoogvliet gemaakt. En meer dan dat. Dankzij of mede dankzij Wimby staan er onder andere mooie schoolparasietjes in Hoogvliet, is er een fraai plan voor een getijdengeul dwars door het al aanwezige wilde natuurpark, komt er een vernieuwd speel/feestpark met daarin een vreselijk lelijk gebouw (Villa Heerlijkheid Hoogvliet) van FAT Architects waarin een dependance van Lantaren-Venster en een multifunctioneel cultureel centrum worden gehuisvest, is er een prachtig lichtplan uitgevoerd en, misschien wel het belangrijkste, zijn er pogingen ondernomen om de stedenbouwkundige structuur van Hoogvliet te verbeteren en te versterken.

afbeeldingen uit Het Grote Wimby boek

Je kan er moeilijk op tegen zijn, zoveel leuke, goede dingen voor de mensen in de achterstandswijk. Toch kloppen er dingen niet. Waarom gaan hele goede architectuurhistorici zich bezighouden met opbouwwerk? Want dat was het, het initiëren en ondersteunen van diverse initiatieven in een wijk. Dat heeft niets of nauwelijks iets met architectuur en stedenbouw te maken.

Het proefschrift over Hugh Maaskant van Michelle Provoost was bij verschijnen al een standaardwerk en de dissertatie van Wouter Vanstiphout over J.H. van den Broek kan wel eens een verandering in de vorm van dit soort dissertaties markeren. Mart Stam’s Trousers is naar mijn idee het belangrijkste boek van de laatste 10 jaar over de Nederlandse architectuur, alleen even hermetisch, warrig geschreven en dito vormgegeven als het grote Wimby-boek. Welke boeken zijn er niet geschreven omdat Crimson het te druk had met het uit alle hoeken en gaten lospeuteren geld voor hun Wimby-projecten? Welke ideeën zijn niet verder onderzocht en uitgewerkt omdat Crimson maanden lang bestuurders en directeuren probeerde te overtuigen en daarvoor sluwe strategieën moest bedenken? Bestaat 'het via de achterdeur naar binnen loodsen van hogere waarden als cultuur en collectiviteit' werkelijk uit het organiseren van concerten van Gordon en Gerard Joling? Is het nou wel zo’n goed idee om onder gele rook uitbrakende pijpen, waar ademhalen soms moeilijk is, waar geen school mag worden gebouwd vanwege die luchtvervuiling, een park aan te leggen waar kinderen kunnen spelen? En ja, als je Venturi en Scott Brown leest, lijkt het een goed idee om de kwaliteiten en de systemen van the ugly and ordinary te verbinden met communicatie, tekens, binding en oriëntatie. Maar zijn niet bijna alle gebouwen van de Venturi’s het bewijs dat als je zoiets wilt, je dat niet zo moet doen? Waarom dan juist een slecht figuurzagende Venturi-adept vragen die à la 'Learning from Levittown' eerst Hoogvliet afstruint op zoek naar symmetrische bloempotten, en vervolgens met een slecht gedecoreerde shed komt aanzetten? Is de intellectueel die op zijn knieën gaat zitten en doet alsof hij het begrijpt niet bij voorbaat gedoemd te mislukken? Is het niet veel beter om met grote arrogantie culturele waarden door de voordeur naar binnen te smijten? Had Gergiev laten spelen.

Het is triest te moeten constateren dat het kennelijk noodzakelijk is dat architectuurhistorici onder de dekmantel van architectuur en kunst de taken van gemeenten, schoolbesturen en woningbouwcorporaties stiekem moeten overnemen. Daarbij gebruikmakend van uitgekiende, slimme strategieën in plaats van botte macht en geld. Uit het kleine Wimby-boek blijkt overduidelijk dat de volstrekte incompetentie van (deel)gemeenten, schoolbesturen en besturen van woningbouwcorporaties het grootste probleem is. Ze doen hun werk niet of nauwelijks, te langzaam en slecht. Goede mensen lopen gillend weg bij deze organisaties. Het is eigenlijk bizar dat Crimson een stedenbouwer in moet huren die gewoon zijn werk doet. Vervolgens met de 'stakeholders' moet polderen om het plan erdoor te krijgen en wanneer het plan als uitgangspunt gaat dienen, er (natuurlijk) binnen een jaar iemand iets wil dat alles in het oorspronkelijk plan ontkent, Crimson er dan zelf achteraan moet om de boel te redden, wat helaas mislukt.

Dit soort dingen regelen behoort in Nederland nog steeds tot het takenpakket van de gemeente. Goede stedenbouwkundige plannen maken waarin belangen worden afgewogen ten aanzien van het algemeen belang, waarin de sterke egoïstische worden kort gehouden en de zwakkere maar waardevolle worden beschermd. Maar dat gebeurt niet in Hoogvliet en bijna nergens in dit land.

Waarom moet Crimson uit hoeken en gaten geld toveren om voor scholen, leuke mooie parasietjes te laten ontwerpen? En waarom moet Crimson daarna met schoolbesturen in de slag omdat ze, vanwege het extra onderhoud, die dingen eigenlijk helemaal niet willen hebben? Waarom concurreren woningbouwcorporaties elkaar de tent uit in een klein dorp als Hoogvliet? En waarom hebben ze Crimson en Rottenberg nodig om dat te sussen?

Waarom werken de wettelijke bestuurs- en beslismechanismen niet meer in de ruimtelijke ordening? Het lijkt zeer noodzakelijk dat daar wat aan gebeurt, maar wellicht moet iemand anders dat doen, de politiek misschien, zodat Crimson ophoudt met zelf half dingen te ontwerpen en gewoon weer geschiedenis gaat bedrijven.