Opinie —

De monumentenzorg van Plasterk

Dirk Baalman

Honderd nieuwe rijksmonumenten draagt minister Plasterk voor. Dat moeten er zeker driehonderd zijn, zegt Heemschut. Maar gaat het daar wel over? Drie bedenkingen van Dirk Baalman.

de lijnbaan, een van de 100 nieuwe monumenten

In een gedecentraliseerde monumentenzorg past zo’n topdown initiatief van de minister niet.

Uit angst voor een ongeremde groei van het aantal monumenten stelde de vorige staatssecretaris enkele jaren geleden een moratorium in op de aanwijzing van nieuwe monumenten. De mededeling was: dames en heren belanghebbenden (gemeenten, Heemschut, Cuypersgenootschap, eigenaren), u bent even niet aan de beurt, ik bevries het democratisch systeem van aanwijzing van monumenten dat in de Monumentenwet is vervat. We gaan de tijd gebruiken om nieuwe stelsels van monumentenbeheer te ontwikkelen en om de grote opgave die er ligt voor de collectie gebouwen en structuren van na de oorlog (WO II) voor te bereiden. Sindsdien is het stil. Er zijn geen nieuwe stelsels, geen nieuwe noties, er is alleen een onzalig advies van de (vorige) Raad voor Cultuur om de rijksmonumentenlijst te decimeren, dat wel tot scepsis heeft geleid, maar niet tot nieuwe vergezichten.

Het vaderland dat wacht op een minister met een visie op de monumentenzorg van de 21e eeuw, krijgt een lijstje uit het systeem van de 20e eeuw. De aanwijzingsprocedures staan stil, de financiering van restauraties ligt op z’n gat, de continuïteit van de restauraties en het restauratieambacht zijn acute problemen, maar de minister produceert een lijstje: hij wel.

De wederopbouwperiode leent zich niet voor de monumentenzorg van de 20e eeuw en al helemaal niet voor een greep uit de kaartenbak van enkele rijkskunsthistorici.

De wederopbouw kenmerkt zich door bijzondere opgaven op een bijzondere schaal. Hier gaat het niet om objecten (kantoor, kerk, villa), maar om wijken, industriegebieden, infrastructuur, gebiedsontwikkeling. Daarom is een aantal jaren geleden een task-force wederopbouw ingesteld bij de rijksdienst die de minister over het moderne leven moet adviseren. Die club moet eerst studeren (er zijn ruim 25 studies gepresenteerd over categorieën van gebouwen en complexen), dan syntheses aanreiken en tot slot aanbevelingen doen voor een nieuw beschermings-beleid. Misschien is daarvan wel de kern dat eerst eens draagvlak wordt gezocht. Het is tenslotte gemakkelijker gebleken de productie van onze voorouders tot monument te verheffen dan die van onze ouders (wie legt dat aan zijn ouders uit?). Misschien moeten de bewoners van die wijken, de beheerders bij de woningcorporaties, de wethouders volkshuisvesting en bedrijvigheid wel eerst worden gewonnen voor het idee dat het ook na de oorlog ergens over kan gáán als we het over ‘cultuurhistorie’ of ‘erfgoed’ hebben. Dat zou wel eens kunnen betekenen dat een bottom-up in plaats van een topdown benadering wordt ontwikkeld, die recht doet aan de bijzondere ensembles uit de wederopbouw enerzijds, maar ook aan de zeer democratische strekking van de Monumentenwet anderzijds.

Het lijstje van de minister gaat aan deze problemen voorbij. Er staan geen wijken op, geen industriegebieden. En als het lijstje in de buurt komt van ensembles, zoals in het centrum van Rotterdam, dan vervalt het in de aanwijzing van objecten. Zo treffen we er vier bankgebouwen; drie op een rij aan de Blaak en één om de hoek op de Coolsingel. Mooie gebouwen, en van gerenommeerde meesters zoals Kraaijvanger, Elffers en Mertens, maar wat is de zin van zo’n rijtje? Kan het ook gaan over het wederopbouwplan van Rotterdam, de andere schaal, die juist voor de periode zo kenmerkend is? Een helder beleid voor zo’n ensemble, daar zitten we op te wachten. Nu wordt alleen de vraag opgeroepen of bijvoorbeeld Overijssel er niet bekaaid vanaf komt met één ziekenhuis, naast die vier bankgebouwen in Rotterdam.

Om ‘draagvlak’ te creëren of ‘interesse te wekken’ had de minister overigens ook voor een meer richtinggevende strategie kunnen kiezen. Zo is bij de stations gekozen voor dat van Zutphen, een mooi exemplaar uit de reeks van architect Schelling, waarbij het toeslagmateriaal voor de beton bestond uit het puin van de bombardementen van Leiden, Hengelo, Arnhem, Enschede en Zutphen. Zutphen is ‘gaaf’, een belangrijk criterium voor de kunsthistorische monumentenzorger. Maar het station van Enschede is in 1995 behoorlijk voorbeeldig verbouwd en hier kun je met een voordracht het statement maken: een goede verbouwing zit een monumentenstatus niet in de weg. Van welke visie zou je blijk geven als je het kraanspoor in Amsterdam-Noord op de lijst zet, ook al is de kraan in 2007 vervangen door een fantastisch geconcipieerd kantoorgebouw van Trude Hooykaas cs? Het lijstje van de minister is kortom een treurige nawee van de periode die het behelst, zonder enig perspectief op een erfgoedvisie voor de 21e eeuw.

Waar decentraal hard wordt gewerkt aan een imago van betrouwbaarheid en voorspelbaarheid voor de sector monumentenzorg, haalt de minister met zijn duveltje uit een doosje zorgvuldig opgebouwde goodwill weg bij de eigenaren / beheerders van monumentaal vastgoed.

Al lang geleden hebben monumentenzorgers geleerd dat betrouwbaarheid en voorspelbaarheid belangrijke kenmerken zijn voor wie geloofwaardig wil opereren in de wereld van het vastgoed. Kom niet opeens met een aanwijzing als monument in een ruimtelijke ordeningsproces dat soms al jaren loopt. Maak je agenda duidelijk, betrek de eigenaren en beheerders van vastgoed bij je programma’s en je rol als monumentenzorger wordt een stuk gemakkelijker. Je verdient respect om je expertise en om de betekenis die je verleent aan de objecten en structuren die voorwerp van transformatie zijn. Het is in de wereld van ontwikkelaars heel gewoon om monumentale waarde direct te vertalen in vastgoedwaarde.

Maar een onbetrouwbare overheid die onverhoeds uit de kaartenbak jouw kaart trekt voor een monumentenaanwijzing, die verpest het voor de hele sector. Wie in monumentenland durft zich nog te vertonen bij de partijen waarmee hij in gesprek was over de transformatie van al dan niet potentiële monumenten?

Als de bedoeling van de minister was, om ‘draagvlak’ te scheppen voor de monumenten van de wederopbouw, dan heeft hij met precisie het tegendeel bereikt.