Feature —

Intelligente vertedering of belgenmop

Daan Schipper

‘Superstars zijn het, de Nederlandse designers, en daar moeten ze zelf het meest zuinig op zijn.’ Dat was zo’n beetje de conclusie van De grap voorbij: humor in Dutch Design, de lezing die Tracy Metz op donderdagavond 4 oktober hield bij Tent in Rotterdam.

Het was niet de eerste keer dat Metz dit praatje hield. Eerder al trok ze met dezelfde lezing een volle zaal op een congres in Massachusetts, USA. Ze begon in Tent met te vertellen dat de Amerikaanse toehoorders op de verkeerde momenten om haar komische voorbeelden van Nederlandse vormgeving lachten (de delftsblauwe dildo snapten ze niet, ik trouwens ook niet). Op deze avond hadden de Hollanders al helemaal niet de behoefte om de lachspieren in te spannen. De avond trok voorbij als een hoorcollege ontwerpgeschiedenis. Er was echter niemand die bij het biertje na afloop een verlichte indruk maakte – eerder teleurgesteld, en eigenlijk deelde ik die mening.

Tracy Metz is voor mij een grote naam. Al voor ik op de academie belandde, kon ik smullen van haar droge uiteenzettingen en geduldige analyses van nieuwe vormen en vormentalen in het NRC Handelsblad. Ze bracht begrip voor de diepere lagen van de producten en de architectuur, zonder dat ze het hoefde uit te spellen. Ze zette me op haar stoel en gaf me alleen een zetje in de goede richting. Ik was dan voornamelijk trots op mezelf, dat ik tot de kern kon doordringen, maar dat was nooit gebeurd zonder haar hulp. En die had ik deze avond ook verwacht. In haar geschiedeniscollege in Tent liep ze vlekkeloos door onze bijzondere industriële producterfenis; van het Delfts blauw, naar de Gispenstoel, de oude PTT brievenbus, de Beatrixzegel en via de Hema als ontwerphemel, zo naar de snotvaas van Marcel Wanders.

Ik kan daar de humor niet van inzien. Die snotvaas heeft naar mijn idee weinig met de rest te maken. ‘Design’ is volgens mij al jaren een verzamelpot van mensen die zichzelf te kunstzinnig vinden om productontwerper te zijn. Door die naamsverdraaiing kun je ‘Dutch Design’ helaas maar moeilijk uitleggen in de States. Onze krachtige basis van industrieel ontwerp kan zich met gemak meten met de Franse, Italiaanse en de Engelse school. De Nederlandse school van vrije vormgeving is er echter één van wrange humor en zelfspot: een ander verhaal. Als je die twee vermengd begeef je je op glad ijs. In de Bugaboo zit geen humor, laat staan een diepere laag. Dat was ook niet de bedoeling. De Bugaboo ligt voor mijn gevoel op één lijn met de PTT brievenbus, maar niet met bijvoorbeeld de polderbank van Hella Jongerius. Die komt voort uit de Droog-traditie en dat is inderdaad altijd lachen geblazen.

Terecht dat daar een lezing aan wordt gewijd en wat had ik hierover graag de mening van Metz gehoord. Maar wij zijn geen Amerikanen die moeten worden onderwezen in zoiets exotisch als Dutch Design. Wij wilden niet nogmaals horen wat ons met de paplepel is ingegoten. Wij wilden een bespiegeling op die moppentaptraditie. Hoe komt het dat er na Droog opeens uit alle hoeken nieuwe, nog komischere ontwerpen werden gelanceerd, zoals Hans Teeuwen in hardheid Freek en Wim trachtte te overtroeven. Wij wilden Tracy on humour! Maar zij oreerde er lustig op los over hoe geweldig de Nederlandse designers wel niet zijn. Het is tamelijk beschamend voor deze uitgebreide industrie wanneer vervolgens weer hetzelfde rijtje als voorbeeld van de hele vakgroep wordt opgesomd: Marcel Wanders, Hella Jongerius, Jurgen Bey, Joris Laarman, de Makers van, Bert jan Pot, Chris Kabel, Joep van Lieshout (eigenlijk kunstenaar) en Wieki Somers (allemaal, behalve Wanders, tentoongesteld in Tent onder de noemer: Rotterdamse ontwerpers). Begrijp me niet verkeerd, ik vind het werk van deze mensen intrigerend en bij vlagen vertederend, maar noem dan op z’n minst ook de nieuwe Sikkens-waaier van Bruno Ninaber. Dat vind ik intelligente vertedering. Daarbij vergeleken is de eieren-in-een-condoom-vaas een belgenmop.