Feature —

Kleurige duurzaamheid

Michiel van Raaij

Het bureau Sauerbruch Hutton Architekten is bekend om haar kleurgebruik en pionierswerk in duurzame architectuur. Dat waren dan ook de hoofdonderwerpen van de lezing die Matthias Sauerbruch gaf op donderdag 27 september in het NAi.

Sauerbruch Hutton ontwerpt gebouwen die op drie manieren duurzaam zijn: sociaal, cultureel, en wat betreft energie. De lezing, met als titel Sustainability, zou dan ook niet gaan over wat de Amerikanen Green Washing noemen; een paar windmolens op je dak en voilà, het gebouw is ‘duurzaam’.

Het bureau brak door met het GSW gebouw in het centrum van Berlijn, een gebouw dat met haar energiebesparende dubbele gevel een icoon is geworden. Verrassend genoeg begon Sauerbruch zijn verhaal over dit project met een uitgebreide geschiedenis van Berlijn, en van de locatie van het gebouw. De muur liep er in de buurt en toen tijdens de Koude Oorlog het westen een hoge gouden kantoorschijf bouwde (met een voor de handliggende betekenis), antwoorde de Sovjet-Unie door het bouwen van vier hogere grijze schijven. ‘Dat verhaal wilden we voortzetten’, vertelde Sauerbruch, en zo verscheen er een kleurige schijf in het nieuwe ‘westen’.

Deze creatieve vorm van culturele duurzaamheid werd Sauerbruch Hutton niet door iedereen in dank afgenomen. Het gekozen model voor kritische reconstructie in Berlijn was immers het bouwblok uit de negentiende eeuw, niet die uit de twintigste eeuw. Maar: ‘De geschiedenis kun je niet herconstrueren’.

De dubbele gevel van het GSW ontstond vanuit de wens veel licht binnen te laten (en dus grote glasvlakken te maken), maar tegelijkertijd zuinig met energie om te gaan, en het gebouw te kunnen ventileren zonder airco. In een post-occupancy analyse concludeerde Sauerbruch dat het inderdaad een licht gebouw is geworden, dat de dwarsventilatie werkt, en dat de frisse lucht van buiten als prettig ervaren wordt door de gebruikers. Toch zou hij het niet gauw nog eens zo doen. De dubbele gevel is aan één zijde een meter diep, wat het een erg kostbare oplossing maakt. En die grote glasvlakken waar zoveel lucht langskomt worden extra snel vies, ook dat was een tegenvaller.

Hoe het ook anders kan illustreerde Sauerbruch met een project dat momenteel gebouwd wordt in Frankfurt. Hier is het lensvormige gebouw zodanig op de dominante windrichting gepositioneerd dat voor de dwarsventilatie gebruik gemaakt kan worden van de over- en onderdruk die de wind genereert. Om de gevel te kunnen openen naar de windrichting toe, heeft de architect de geveldelen als schubben laten verspringen, waarbij de smalle ruimtes tussen de schubben als kieuwen geopend kunnen worden. In de lente en herfst zou het gebouw zonder airco of verwarming moeten kunnen werken.

Umweltbundesamt (UBA) in Dessau (foto’s: Janine Pohl)

Het grote kantoorgebouw dat Sauerbruch Hutton realiseerde in Dessau blinkt nog meer dan de andere ontwerpen uit in pragmatisme. En dat was misschien wel de grootste les van dit verhaal over duurzaamheid; werk met de omgeving, de historie, de mensen, en het klimaat. Geen form follows me, zoals architecten weleens verweten wordt, maar een form follows the context. De hele avond herhaalde Sauerbruch dan ook de zin ‘If you like’ – niet alleen de architect, maar ook het gebouw is een kameleon die zich aanpast aan de plek en de condities.

Om een park te kunnen maken is het grote gebouw naar één zijde van de kavel geschoven. Niet alleen opent het gebouw zich naar het park, de kantine is zelfs uit het gebouw gehaald en in het park geplaatst. Een kantine die ook gebruikt wordt door de bewoners van Dessau. Een magnifiek voorbeeld van publiek domein.

De slingerende vorm van het gebouw was volgens Sauerbruch het pragmatische antwoord op de condities. De diepte van de kantoorschijf is wettelijk vastgelegd en de hoogte van vier bouwlagen afgestemd op de omgeving. Met de loop-vorm is het mogelijk een hof te maken, en een slingerend gebouw lijkt kleiner in haar omgeving, omdat je alleen maar delen ervan kunt ervaren. Dat hij geen statement wilde maken in deze Oost-Duitse stad verantwoorde hij met het idee dat alles uit het ‘westen’ in Dessau verdacht is, ook dit overheidsinstituut.

Met een pijp van vijf kilometer in de grond die de lucht koelt, ventilatie via het overdekte binnenhof, en nachtventilatie zou het energiegebruik van dit gebouw in theorie de helft zijn van wat wettelijk vereist is, vertelde Sauerbruch trots. Door uitval van systemen en tegenstribbelende gebruikers, bleek het energieverbruik echter vooralsnog maar iets beter dan een standaard kantoorgebouw. Maar daar wordt aan gewerkt, beloofde Sauerbruch.

Ook het kleurgebruik van dit gebouw in Dessau was contextueel. Groener bij het park, roder bij de fabriek, veranderend bij de ronde hoeken, lichter in het binnenhof. Daarmee kwam Sauerbruch op het – strategisch gekozen – laatste onderdeel van zijn lezing. Met woorden als scale, presence, character, materiality hield Sauerbruch het bewust wat vaag. Dit element in zijn architectuur benaderden hij en zijn partner zoals een schilder aan een schilderij werkt, zo bleef hij herhalen.

Een gebouw moet geliefd zijn om voor de volgende generaties behouden te blijven, en een gebouw is fijn als het je stimuleert. Het hoeft niet modieus te zijn, maar eigentijds is wel een vereiste. Een niet-tijdgebonden architectuur is waardeloos, aldus Sauerbruch. Op dit vlak oversteeg hij duidelijk zijn pramatische houding, richting een meer offensieve houding. Zichzelf plaatsend in de traditie van De Stijl en Le Corbusier, noemde hij als belangrijkste functie van kleur het visuele effect ervan op de ruimtewerking.

Met variaties in kleur wordt een gebouw plastisch, driedimensionaal. In het laatste ontwerp dat Sauerbruch besprak, een museumgebouw met 36.000 gekleurde keramische stokken, sprak hij dan ook van een gebouw dat fysiek wel uit één stuk bestond, maar door het kleurgebruik uit drie ‘volumes’ opgebouwd was. Kleur is ook ruimte.