Feature —

Leipzig: toekomst voor een krimpende stad

Hans Teerds

Elke stad kent een eigen dynamiek en problematiek. Zelfs binnen de grenzen van Europa is de diversiteit enorm. Tijdens de Capita Selecta van de Amsterdamse Academie van Bouwkunst van dit seizoen passeren enkele steden de revue, onder het motto ‘The New European League’. Leipzig, na Berlijn de grootste stad in voormalig Oost Duistland stond donderdag 15 november centraal.

Leipzig is een stad met een rijke erfenis. Het was de stad van Bach, Mendelsohn heeft er gewoond, Goethe heeft er gestudeerd, en in 1989 zijn hier de beslissende stappen gezet voor the Peacefull Revolution die leidde tot de val van de muur. Hoe vredelievend dit ook was, het bracht de stad toch in een negatieve spiraal. Net als heel Oost Duistland was Leipzig sindsdien shrinking.

In vier jaar tijd verloor de stad, die steunde op mijnbouw en zware industrie, 60.000 banen, en met de banen ook de mensen. Op haar hoogtepunt, in 1920 had de stad 700.000 inwoners. Lange tijd was dat aantal relatief stabiel gebleven, maar na 1989 liep het inwonertal terug tot 340.000 in 1993. Het laatste beeld in de lezing van Karsten Gerkens, hoofd van de dienst Stedelijke Ontwikkeling van Leipzig, was dan ook veelzeggend: een klein meisje in een te grote zwarte jas. Een beeld dat op verschillende manieren uitgelegd kan worden. De meest logische is somber – een stad met overmaat, leegstand, en een te kleine ‘kritische massa’ om van Leipzig weer een vitale stad te maken. De jas slobbert en heeft geen uitstraling. Je kan er ook anders naar kijken, positief duiden, stelde Gerkens, gesteund door jonge ontwikkelingen. Leipzig groeit, als enige stad in de wijde omtrek. Er komt weer wat nieuwe werkgelegenheid, de pakketjes vervoerder DHL heeft de luchthaven tot hub gekozen, en de autofabrikanten BMW en Porsche hebben assemblagelijnen geopend. De stad heeft nog steeds een flinke overmaat, maar juist de ‘te grote jas’ geeft nu ruimte aan en kansen voor deze groei. Een sombere blik leidt nergens toe, stelde Gerkens. Somberheid stimuleert geen creativiteit, geen enthousiasme en is daarmee snel een self-fulfilling prophecy. In een krimpende stad is geloof gevraagd, de moed nieuwe wegen in te gaan. De stad, zo geloofde men in Leipzig, kan alleen gered worden in een combinatie van enthousiasme, creativiteit en gezamenlijkheid.

Een deel van het succes van Leipzig komt natuurlijk voort uit haar omgeving, waar overal de krimp doorzet. Als enige stad die weer groeit, de cijfers heeft omgebogen, begint de stad weer jongeren aan te trekken, en met de jongeren nieuwe bedrijven. De spiraal omhoog is hervonden. Stadsontwikkeling in Leipzig was als een achtbaan, stelde Gerkens: duizelingwekkende diepten werden afgewisseld met lonkende perspectieven. De strategie van de stad bestond vooral uit het bouwen aan het draagvlak. Zolang de bevolking Leipzig ervaart als ‘mijn’ stad, is er hoop. De krimpende stad was daarom een gedeeld probleem, van bevolking en overheid. In stadsdebatten, waarin de burger en de overheid samen problemen bespreken en zoeken naar oplossingen, werden de instrumenten ontwikkeld waarmee de krimpende stad tegemoet werd getreden. Ook economisch moest worden gebouwd aan het draagvlak. De erfenis van de DDR was immers weinig eigen huizen- en grondbezit, en een verwaarloosbare middenklasse. Juist dit laatste is van belang voor de stad: de middenklasse beweegt de stad, zij investeren in de stad, verschaffen het arbeidspotentieel en baten de kleine locale winkels uit.

Gerkens onderscheidde drie perioden in de stedelijke revitalisering. In de beginperiode was de vraag cruciaal hoe de stad überhaupt gered kon worden. De inzet van het stad lag in deze periode vooral in het behoud van de oudbouw, de Gruendzeit, de bouw uit de periode 1880 tot 1920. Die was cruciaal voor het beeld van de stad en werd door de bevolking hoog gewaardeerd. Want hoewel de befaamde Plattenbau, de DDR-appartementenblokken, beduidend meer comfort boden, was daar geen vraag meer naar, in tegenstelling tot de woningen uit de Gründerzeit. Tijdens de tweede periode, vanaf 1995, kwam de focus bij het openbaar gebied te liggen, dat in zeer slechte conditie verkeerde.

De derde periode behelsde een verschuiving van kwantiteit naar kwaliteit in de aanpak van het stedelijk weefsel. De krimp plaatste de stad voor een complex probleem. In 2000 was de operatie om de stedelijke blokken te renoveren voor 74% afgerond, maar naar de overige 26% was geen vraag. 15.000 Woningen stonden leeg en er was eigenlijk geen bestemming voorhanden. De stad ontwikkelde als antwoord hierop een strategie van verdunning en creatief hergebruik. Minder waardevolle panden werden gesloopt. In samenspraak met de bewoners werden hiervoor in de plaats parken aangelegd. Parken die door de omwonenden zelf worden onderhouden. De omgeving van deze parken neemt in waarde toe, waardoor ook projectontwikkelaars hier weer kansen zien.

Andere leegstaande stadsblokken werden tegen betaling van gas, water en licht ter beschikking gesteld aan lokale initiatieven, wat het creatieve gebruik van de ruimte bevorderde. Prima plekken voor creatievelingen: er is veel ruimte voor weinig geld beschikbaar. Dit gebruik van de bouwblokken zorgt vervolgens voor nieuwe perspectieven en een blijvende betrokkenheid tussen gebouw, programma en buurt. Natuurlijk is een dergelijk hergebruik niet voor alle leegstand de oplossing. De nadruk in dit programma ligt dan ook niet in de oplossing van de leegstand, maar in de zoektocht naar nieuw gebruik, naar onverwachte oplossingen.

Om de middenklasse in de stad te houden, wordt deze door het stadsbestuur betrokken bij de ontwikkeling van nieuwe stadswoningen. Het is ook de enige manier om dergelijke typen woningen te bouwen: banken zouden deze projecten niet willen financieren, terwijl ze wel bereid zijn particulieren te ondersteunen bij de bouw van het eigen huis.

Gerkens had een positief verhaal, van een krimpende stad die de weg ‘omhoog’ had gevonden, en inmiddels zowel toeristen als de creatieve klasse aan zich weet te binden. Met veel geld van de overheid, dat wel. Hoe zou dat bij de andere Oost Europese steden zijn, Boekarest bijvoorbeeld, dat 6 december in de reeks van de Academie voor het voetlicht komt. Een zelfde problematiek, een andere context. Kan deze stad het beeld van het kleine meisje in de te grote jas ook positief duiden?