Opinie —

Nederlandse architecten zijn welkom

Irénée Scalbert

projecten van George Wimpy en Barratt Homes

Er valt geen land te bedenken waar de vooroordelen tegen suburbia groter zijn dan in Groot-Brittannië. Men hoeft alleen maar terug te denken aan de speciale editie van Architectural Review uit de jaren vijftig, waarin onder de titel Outrage een land werd beschreven dat door projectontwikkelaars tot eenheidsworst was omgevormd. Merkwaardig eigenlijk. Uiteindelijk hebben de Britten, en Londen in het bijzonder, een bepalende rol gespeeld in de uitvinding van de buitenwijk en op deze prestatie zouden ze best een beetje trots mogen zijn.

In de twintigste eeuw is de Britse bijdrage van architecten aan de buitenwijken echter vrijwel onopgemerkt gebleven. Een enkele uitzondering daargelaten – de groene buitenwijken van Parker & Unwin en in de jaren zestig SPAN van Eric Lyons –  bestaat er in Groot-Brittannië onder architecten slechts weinig belangstelling en nauwelijks enige creativiteit als het gaat om stedelijke planning in lage dichtheid en de bouw van goedkope woningen. Alleen al het noemen van namen zoals Wimpy of Barratt (de bekendste Britse huizenbouwers) is voor architecten genoeg om hun heil snel in de stad te gaan zoeken.

Ongeveer de helft van de Britse bevolking woont in buitenwijken, maar daarvan hebben de gezaghebbende architectenbureaus zich consequent afgekeerd. Veel architecten menen dat de combinatie van huizenkopers met een laag inkomen en de privésector niet verenigbaar is met een juiste uitoefening van architectuur; deze opvatting is tot op zekere hoogte verdedigbaar. Ondanks de verregaande commerciële aanpak van Foster & Partners en het populisme van Richard Rogers gaan architecten in Groot-Brittannië er van uit dat de buitenwijken niet kunnen worden geürbaniseerd. Geen suburbia dus; de enige echte urbaniteit is Italiaans. Dat is de erfenis van het stadsgezicht (townscape), van de cultuur van de mediterrane wereld en het dorpsleven. In deze rangorde van waarden vallen buitenwijken domweg buiten de boot. Hiervoor gelden geen kwaliteitsbegrippen en als zodanig blijven ze buiten het aandachtsgebied van ontwerpers. Toegegeven moet worden dat er zowel op lokaal als landelijk bestuurlijk niveau pogingen zijn gedaan om de kwaliteit van publieke ruimten naar het model van Barcelona te verbeteren. Het blijft echter moeilijk om je voor te stellen hoe die ruimten zouden kunnen overleven binnen de lagere dichtheid en de minder uitnodigende leefsfeer van Londen.

Hoe dan ook, dit is niet wat de buitenwijken nodig hebben. Het Britse antwoord op lage dichtheid is: alle registers van het schilderachtige opentrekken. Het schilderachtige, zo luidt de opvatting, zorgt voor de kwaliteit die aanvankelijk ontbrak. Dat klopt precies in een enkele selecte plaats; sprekende voorbeelden zijn Hampstead, Turnham Green en – wat verder weg – Poundbury, Dorchester. Mocht die aanpak dan mooi aansluiten bij de woonwijken van de gegoede standen, in de grenzeloosheid van de buitenwijken zijn de verschillen nauwelijks waarneembaar. Adriaan Geuze en zijn studenten maakten dit punt in 1995 op niet mis te verstane wijze duidelijk door de opstelling van miljoen huisjes in Monopoly-formaat in de galerij van het NAi. Het ontwerpen van buitenwijken ligt op de snijvlakken tussen kwaliteit en kwantiteit, architectonisch ontwerp en stedelijke planning, smaak en statistiek.

De kwetsbare positie van de buitenwijk is gelegen in het hieruit voortvloeiende conflict. De Nederlanders hebben dit beter begrepen dan enig ander land. Niet omdat – zoals vaak wordt aangenomen in Groot-Brittannië – Nederlandse architecten in staat waren om kwaliteit van ontwerp te laten zegevieren boven de overweldigende getalsmatige anonimiteit. Integendeel; ze wilden zich naast die kwaliteit ook nog wel eens verdiepen in de logica van getallen. Kortom, ze wilden zich werkelijk binden aan de bouwplanning. Vandaar Borneo Sporenburg, en bijvoorbeeld Leidsche Rijn, Ypenburg en IJburg. Dat is vrijwel zeker de reden waarom er nu verschillende Nederlandse bureaus aan het werk zijn in de regio Thames Gateway ten oosten van Londen.

Maar is er nu werkelijk sprake van een “Nederlandse invasie”, zoals onlangs werd gesteld in een artikel van het blad Building Design? De Britse regering is van plan om de komende tien jaar ongeveer 240.000 huizen per jaar te bouwen, ofwel 2.400.000 huizen in het komende decennium. Dat beleid heeft veel discussie veroorzaakt en roept gedachten op aan de impact van de Nederlandse VINEX-wijken in de late jaren negentig. Tegen deze achtergrond bekeken kunnen de 15.000 huizen die staan gepland voor Stratford en Barking, inclusief enige Nederlandse betrokkenheid (KCAP, Maccreanor Lavington, Maxwan, West 8), toch nauwelijks worden aangeduid als een invasie. Deze projecten zijn voortgekomen uit een tien jaar durend proces, dat in het midden van de jaren negentig van start is gegaan met een efficiënte campagne van het NAi en Archis, die later is uitgebreid met publiciteit in het Verenigd Koninkrijk en andere landen in Europa. Beleidsmakers en invloedrijke figuren hebben dit opgepakt; onder hen Richard Rogers en Ricky Burdett, toen nog leden van de Urban Task Force, die het regeringsbeleid wilde beïnvloeden, en later adviseurs van de burgemeester van Londen. Het is nauwelijks verbazingwekkend – en evenmin ongepast – dat dit heeft geleid tot de aanstelling van enkele vooraanstaande architecten.

Naast de inschakeling van enkele van de meest deskundige stadsplanners van Europa voor in het oog lopende bouwlocaties mag er nog heel wat meer worden verwacht. Het voorbeeld van 15.000 huizen zal op zichzelf de cultuur van stedelijke planning en huisvesting in Groot-Brittannië niet vernieuwen. Het probleem is niet dat er te veel – of misschien juist wel te weinig – Nederlandse architecten in het Verenigd Koninkrijk aan het werk zijn. Waar het om gaat is dat de infrastructuur die heeft bijgedragen aan hun succes in Nederland, in Groot-Brittannië nauwelijks is te vinden. Van Nederland kan nog heel wat méér worden geleerd.