Feature —

Op visite bij Van den Broek en Bakema

Annemieke Hendriks

Het Berlijnse Hansaviertel bestaat vijftig jaar. De architecten Van den Broek en Bakema konden daar pionieren, meer dan in Nederland. Het geheim van hun Interbau-flat? Dat vertellen de Fischers, bewoners van het eerste uur: ‘Uit dit huis vertrek ik alleen liggend’. En de Ackermanns kozen tien jaar geleden bewust voor de Hollandse flat: ‘Zo’n kamertje, onder de trap! Met die ruimte had een Duitser niks gedaan.’

‘Je kunt deze flat alleen begrijpen, wanneer je beneden het bellenbord bestudeert’, zegt Manfred Ackermann. ‘Daarop staan zestien etages vermeld. Maar bij slechts zes etages zitten bellen. Wij wonen op etage 7-9, dat is de derde woonlaag. Die slimme Hollanders: de lift hoeft maar zes keer te stoppen om al die etages te bedienen.’

Die ‘slimme Hollanders’ zijn Johannes Hendrik van den Broek en Jacob Berend Bakema, de ontwerpers van de flat waarin Ackermann, een Bonner diplomaat in ruste, in 1997 welbewust met zijn vrouw Bärbel neerstreek. Het bestuur van West-Berlijn had het vermaarde Nederlandse architecten-duo uitgenodigd een Hochhaus te ontwerpen voor de prestigieuze Interbau-tentoonstelling van 1957. Op de puinhopen die de oorlog in het Hansaviertel had achtergelaten zou een unieke wijk onstaan: een nieuw begin voor West-Berlijn en voor de Bondsrepubliek. Ook de Braziliaan Oscar Niemeyer, de Fin Alvar Aalto, de Deen Arne Jacobsen, de Duitsers Walter Gropius en Max Taut en vele andere kopstukken van het moderne bouwen gaven er acte de présence.

boven: Ingrid en Rolf Fischer
midden: gang en trap in hun huis
onder: trappen, met beneden de voordeur

‘Ja, ik ben er trots op dat ik hier woon’, zegt Ackermann. Je kunt hem dan ook pesten door te opperen dat de sobere, vuile gevel van de flat in pakweg Roemenië niet uit de toon zou vallen. ‘Ja hoor eens, aan ons ligt het niet. Wij behoren tot de nieuwe garde kopers. De oude garde bestaat vooral uit huurders, die hebben minder geld en belang bij een restauratie van de buitenboel. Maar wacht af, over tien of vijftien jaar wonen hier genoeg eigenaar-bewoners. Dan laten we de gevel zandstralen en krijgt het huis zijn prachtige, mediterraan-okergele uitstraling terug.’

Ingrid Fischer behoort tot de ouderen die een woning in de Van den Broek en Bakema-flat huren. Haar man Rolf en zij zijn bewoners van het eerste uur. Ze vluchtten uit de DDR. ‘Mijn man en ik zijn Saksen uit Chemnitz, dat later Karl-Marx-Stadt ging heten. We konden gelukkig in West-Berlijn snel aan de slag, mijn man als bouwopzichter en ik als technisch tekenaar. Toen we enige zekerheid hadden, hebben we ons kindje uit Chemnitz opgehaald.’

In 1960 werden de Fischers uit hun eerste West-Berlijnse woning gezet. ‘Op zoek naar iets anders kwamen we in het Hansaviertel terecht. Bij dit huis stond een bord met “Woningen te huur”. De mensen stonden ervoor in de rij, terwijl het bepaald niet goedkoop was. Wij verdienden inmiddels redelijk, en we raakten toch enthousiast toen we deze woning zagen! We waren de trappen opgelopen, helemaal naar de 13e/14e etage – wij zeggen de vijfde verdieping. De lift deed het nog niet, de flat was amper af. En om ons heen zagen we vooral braakliggend land. Maar we stonden opeens in deze luxe doorzonwoning. Dit is zoiets anders dan wat we kennen, zeiden we tegen elkaar. Enfin, we wonen hier dus nog steeds.’

‘Je hebt helemaal niet het gevoel in een flat te leven’, zegt Ingrid Fischer. ‘Het is hier inmiddels weer minstens zo groen als in het vooroorlogse Hansaviertel. In de eerste naoorlogse winter waren de meeste bomen opgestookt. Toegegeven, we hebben het spoor vlak voor de deur. In 1960 was er amper trein- en S-Bahn-verkeer, nu is dat wel anders. Maar we zijn eraan gewend. Verder is het heerlijk, op onze twee etages met aan beide kanten uitzicht. Kom gerust de trap op, naar onze slaapkamer. Kijk toch eens: de Spree, het nieuwe ministerie van Binnenlandse Zaken, het Springer-Hochhaus. Het is helemaal niet slecht bedacht: om plaats voor 72 woningen te creëren en rondom uitzicht te bieden, hebben ze de woningen in laagjes boven en onder elkaar gebouwd. Onze buurvrouw van hiernaast woont in feite boven ons. De woningen zijn nu erg in trek, ze worden zelfs verkocht. We hebben hier wel eens kijkers gehad. Maar ik heb ze meteen gezegd: jullie moeten mij hier liggend uitdragen.’

‘Holland? Nee, daar zijn we nooit geweest’, zegt Fischer. ‘Van den Broek en Bakema? Die namen zeggen ons niks. Ach so, zijn dat de architecten. Ja, het Westen heeft hier wat moois auf die Beine gezet. Je moet echt een keertje terugkomen als het donker is: Berlin bei Nacht vanaf ons balkon – met in de verte het Olympiastadion!’

boven: Manfred Ackermann
midden: trap in het huis van Ackermann
onder: Ackermanns slaapkamers

Het Hansaviertel, dat unieke architectonische monument met vijfendertig hoog- en laagbouw-objecten, viert nu zijn vijftigjarig bestaan. De flat van Van den Broek en Bakema was echter pas in 1960 af. Het gebouw had zo’n ingewikkelde constructie dat de architecten deze slechts onder de gulle en geduldige mantel van Interbau konden realiseren. Een vergelijkbaar project voor Noord-Kennemerland in Nederland, kregen ze niet van de grond. Maar in Berlijn stáát dan ook wat. Achter de sobere gevel met balkonnetjes in rood, geel en blauw – een ode aan de Stijl-beweging – gaat puur woongenot schuil. Dat bleek toen fotografe Lidia Tirri besloot om, in dit jubileumjaar, bewoners van het Hansaviertel te portretteren. Ondergetekende werd, als Nederlandse journalist te Berlijn, gevraagd om bewoners van de ‘Hollandse’ flat naar hun woonervaringen te vragen. En daar kwamen me toch enthousiaste verhalen los!

Bijvoorbeeld dat van Manfred Ackermann, op woonlaag 3, etage 7-9. ‘De Berlijnse Senaat heeft zich in 1957 ongelofelijk liberaal, bijna on-Duits opgesteld. Alles mocht, alles werd betaald. De omstandigheden voor de Internationale Bauausstellung waren ideaal. De aannemers hebben wel gevloekt, is me verteld. Zeker bij deze split-level-woningen van Van den Broek en Bakema. Zelfs vele van mijn medebewoners snappen niet hoe de flat in elkaar steekt.’

Niet dat Van den Broek en Bakema een spelletje speelden. Aan de Bartningallee 7 moest en zou zoveel mogelijk licht en lucht worden gerealiseerd: voor elke grotere woning zelfs aan twee kanten van de flat. Daartoe moest met de ruimte worden gewoekerd: de woningen gaan vanaf de voordeur naar boven of beneden, en halverwege de woning nóg eens.

‘Kom binnen’, zegt Manfred Ackermann. ‘Kom door onze smalle Hollandse deurtje en kijk eens naar onze trap. Dit is toch geen Duitse trap? Dit is eerder zo’n smalle trap uit een Amsterdamse volkswoning.’ Hij bedoelt het positief. ‘Ze bouwden dit huis als Hollanders, zoals Alvar Aalto in het Hansaviertel als Fin bouwde. Het is zo geraffineerd. Alles is hier functioneel. In elk hoekje van onze woning zie je dat Van den Broek en Bakema de grote traditie van het Bauhaus hebben voortgezet. Zie nu eens dit Hollandse nisje – zoals wij het noemen – onder de trap. Zo’n leuk kamertje! Met die ruimte onder de trap had een Duitser niks gedaan. Hollanders bouwen veel vindingrijker.’

De Ackermanns baden, aldus de oud-diplomaat, op hun 86 vierkante meter in een zee van licht en ruimte. ‘Elke bewoner heeft hier zijn eigen kleine huisje in het grote huis, en dat midden in de Groszstadt. We worden met de zon wakker en we gaan met de zon naar bed. Toen Bärbel en ik in Bonn met vervroegd pensioen mochten, hebben we heel bewust voor Berlijn, voor het Hansaviertel en voor deze flat gekozen. En sinds we hier wonen interesseren we ons voor de jaren vijftig. Toen werd er veel kunstzinniger en revolutionairder gebouwd dan daarna. Ik was in 1960 al een keer in het Hansaviertel gaan kijken. Ik vond het toen al zo bijzonder: de wereld was voor Interbau 1957 naar Duitsland gekomen, nadat mijn land zovele jaren cultureel geïsoleerd was geweest. Berlijn was er heel dankbaar voor, dat de internationale crème der architecten naar de hoofdstad van het ondergegane Reich durfde te komen. En veel Duitsers hadden een waanzinnige honger naar moderne westerse kunst. De IBA, de internationale Bauaustellung, van 1957 had meer dan een miljoen bezoekers in drie maanden tijd, waanzinnig veel.’

Eenderde van die bezoekers van ‘Interbau’, de naam waaronder deze architectuurmanifestatie bekend werd, kwam overigens uit de DDR, voegt Ackermann toe. De Muur bestond immers nog niet. Interbau was het antwoord van West-Berlijn op de Oost-Berlijnse Stalin-Allee (nu Karl-Marx-Allee). Die Oost-Berlijnse pronklaan heette socialistisch van opzet en nationaal, zeg maar klassiek, van vorm. Het Hansaviertel moest, als tegenwicht, democratisch van opzet zijn en internationaal van vorm. Maar voor de Interbau-architecten speelde de Stalin-Allee ‘met haar zuiltjes’ amper een rol, ook niet als schrikbeeld, zegt Ackermann. ‘Interbau was het territorium van de Modernen. We hebben nog eens een lezing bijgewoond van Pierre Vago, die Franse architect van Interbau. Vago zei dat hij en zijn westerse collega’s in 1957 alleen in elkaar geïnteresseerd waren: wat bouwt die Deen hier en wat zetten die Hollanders in elkaar?’

‘Elke ochtend wanneer ik naar buiten ga om een krant en broodjes te kopen, ben ik zo in mijn sas’, zegt Ackermann. ‘Want ik hoef de straat niet op, ik wandel door het park tussen de flats. Ik heb het gevoel dat ik buiten woon. Dat was een basisgedachte van Interbau: de gebouwen moesten van onderen transparant zijn, groen doorlaten. Zodat je je in één grote tuin zou wanen. Daarom staan er in het Hansaviertel huizen op stelten of hebben ze, zoals ons huis, een glazen parterre, zodat je beneden één lange groene zichtlijn hebt.’

Maar op afstand zie je amper iets van het genot dat Van den Broek en Bakema bieden. ‘Soms staat hier beneden een groepje studenten. Die hebben gehoord dat onze flat wat bijzonders is, maar je ziet ze zich afvragen waarom. Jongens, zeg ik dan, de charme van dit huis begrijp je slechts van binnen, willen jullie misschien een woning zien?’