Feature —

Wastelands als nieuw werkterrein?

Klaske Havik en Chris Woltjes

Vanwege hun onverbloemd ruige esthetiek blijven ze een aantrekkingskracht uitoefenen op ontwerpers. Bij Wastelands wedijvert de spanning van het onontworpene met de drang daar íets te ontwikkelen. Op de TU Eindhoven werd er een heel congres aan het thema Wastelands gewijd.

Wasteland is een brede noemer waaronder veel soorten ‘afvallocaties’ verstaan kunnen worden, van grote industrieterreinen tot smalle braakliggende kavels in de binnensteden. Het zijn de plekken onder snelwegen, achter bedrijfsgebouwen, tussen huizen; het zijn de tussenplekken waar de tijd of een opmerkelijk gebrek aan organisatie gaten achterlaat; het zijn de loodsen en de pakhuizen, de kraanbanen en mijnen van oude industriegebieden.

De fascinatie voor deze locaties met hun vaak verstoorde ecologie is niet nieuw. Kunstenaars, ontwerpers, filmmakers signaleren en gebruiken de wastelands als inspiratiebron of als letterlijk decor voor hun werk. Wél relatief nieuw is de groeiende aandacht voor ‘urban wastelands’ als opgave voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Hoewel zulke opgaven grote veranderingen in functie en gebruik met zich meebrengen en er in veel gevallen sprake is van vervuilde grond, zijn dergelijke ontwikkelingen sociaal en economisch vaak succesvol. Het feit dat deze plekken over een zichtbaar geheugen beschikken blijkt voor potentiële gebruikers en investeerders aantrekkelijk. ‘Marginaal’ en ‘onontdekt’ zijn de wastelands dan ook al lang niet meer.

Het is daarom ook niet toevallig dat het congres Urban Wastelands georganiseerd door de TU Eindhoven al vooraf was uitverkocht. Het interessante aan de opbouw van het congres was de zeer diverse lijst van sprekers: van ontwikkelaar tot kunstenaar, van ontwerper tot antropoloog. Terecht, want het aandachtsgebied vraagt om een inmenging vanuit andere vakgebieden. De vraag is hoe ‘urban’ de besproken thematiek genoemd kan worden. De voorbeelden van wastelands die in de loop van de dag aan de orde kwamen, varieerde van binnenstedelijke gebieden tot grootschalige landschapsprojecten in de Amerikaanse brownfields. Het onderscheid tussen urban en rural is in de Europese context dan ook niet altijd scherp te maken. De bijdrage van architect-stedenbouwkundige Bernardo Secchi toonde met de term dispersed city hoezeer de wastelands verspreid liggen in verstedelijkte gebieden. Zijn uitgangspunt was dat de problematiek van de explosieve groei van wastelands door een constante verplaatsing en verdwijning van industrieën niet alleen op lokaal maar ook op regionaal en globaal niveau erkend moet worden.

Enkele van de sprekers richtten zich vooral op het signaleren en beschrijven van het specifieke karakter van de wastelands. Het werk van kunstenares Lara Almarcequi bestaat uit het identificeren en vervolgens onaangetast laten van wastelands. Antropologe Mélanie van der Hoorn onderzoekt de betekenis van verlaten gebouwen die als moderne ruïnes hun levensloop tonen aan ontdekkende bezoekers. Architect Branimir Medic onderscheidde in zijn bijdrage drie lagen locatie-specifieke identiteit: de fysieke; de sociaal-culturele en de mentale. Elk van deze lagen kan dienen als een startpunt voor ontwerp. Zo werd in het herontwerp voor de gehavende wijk Roombeek in Enschede de ‘positieve herinnering’ aan de Grolschfabriek ingezet belangrijk herkenningpunt in de wijk.

‘Echte identiteit,’ stelde architect Philip Christou, ‘is een ruimtelijk iets; de landschappen van rivieren, kanalen, heuvels en afgravingen zijn onze voorouders’. Hij wees daarmee op het belang een gevoeligheid te ontwikkelen voor de geschiedenis van een plek. Zijn presentatie getiteld ‘it’s about time’ spitste zich toe op het identificeren van lagen van tijd op een locatie en het toevoegen van nieuwe lagen zonder daarbij een nostalgische positie in te nemen. Hij ziet ontwerpen als het vormgeven van een infrastructuur van mogelijkheden die de identiteit van een plek in zich draagt.

De uitspraak van Christou is tekenend voor een verschuiving naar een meer proces-gerichte aanpak van het ontwerp voor wastelands. Ook Rudolph en Beelen van station c23 richtten zich op het vormgeven van processen en minder op een concreet ontworpen eindproduct. In hun werk, zoals in hun project voor openbare ruimte in Leipzig, gebruiken ze sociale structuren om veranderingsprocessen in gang te zetten.

Voor de Amerikaanse landschapsarchitect Alan Berger ligt de opgave in het aanpassen van ecologische systemen, en het is via ontwerp, onderzoek en vooral via communicatie met verschillende partijen dat complexe ecologische en ruimtelijke vraagstukken zijn op te lossen. Hij benaderde de problematiek vanuit een regionaal en globaal perspectief en toonde een zorgwekkende analyse van de omvang van door (mijn)industrie vervuilde grond in de Verenigde Staten. Berger positioneerde zich als een pragmatische probleemoplosser tegenover de poëtische benadering die hij bij veel Europese ontwerpers aantrof. Hij weigert als ontwerper esthetiek als uitgangspunt te gebruiken bij het vormgeven van deze integrale processen.

Bij het zeer succesvolle Emscher Landschaftspark in Duitsland is juist wel duidelijk ingezet op de esthetiek van de mijnen en hoogovens om een negatieve connotatie om te keren. Michael Schwarze-Rodrian als landschapsplanoloog betrokken bij de transformatie van het Ruhrgebied, vertelde hoe vanaf de jaren 80 een ommezwaai in het denken over industrieel erfgoed is bewerkstelligd. In het Emscher park worden de industriële monumenten op een grote schaal ingezet als initiator van economische, culturele en sociale ontwikkeling. Deze musealisering van industrieel erfgoed heeft het Ruhrgebied een nieuwe bron van inkomsten en werkgelegenheid geboden.

De rijkgeprogrammeerde dag liet weinig tijd over voor een diepere reflectie op de manier waarop het thema wastelands de huidige ontwerppraktijk beïnvloedt. Duidelijk werd dat de beschreven werkwijzen zich karakteriseren door een actieve rol van de ontwerper in het vormgeven van ontwikkelingsprocessen en de ruimtelijke invulling daarvan. De internationale en interdisciplinaire opzet van het congres is wellicht tekenend voor de impuls die de thematiek van wastelands aan de ontwerppraktijk kan geven. De verschillende perspectieven van architecten, stedenbouwkundigen, landschapsarchitecten en planologen, dagen uit om verder te kijken dan het eigen afgebakende werkterrein.