Feature —

De burger aan zet

Mieke Dings

‘Droom of nachtmerrie?’, zo kondigde Utrechts architectuurcentrum Aorta het debat van 20 november over particulier opdrachtgeverschap aan. De vertoning van de documentaire Het Wilde Dromen, over drie vrije kavelbouwers in Blauwkapel en Leidsche Rijn, maakte echter al snel duidelijk dat het met die nachtmerrie wel meeviel.

Het is eigenlijk maar een rare situatie: een overheid die ons tracht te stimuleren om zelf opdrachtgever te worden van ons eigen huis. Nog vreemder is dat het maar nauwelijks lukt. De Nota Wonen stelde in 2000 dat binnen vijf jaar één derde van de woningproductie door middel van particulier opdrachtgeverschap tot stand moest komen. Lag het percentage bij het verschijnen van de nota nog op 16, in 2005 was dit gedaald tot 10. Een dramatische daling dus. Maar het tij lijkt nu te keren. Sterker nog, het particulier opdrachtgeverschap gaat een zonnige toekomst tegemoet. Dat was althans de conclusie van de avond in Utrecht.

De in dat opzicht meest veelbelovende presentatie van de avond kwam van Jacqueline Tellinga, in 2001 curator van de manifestatie Heilige Huisjes over particulier opdrachtgeverschap in het NAi en sinds een jaar projectleider van het Homeruskwartier in Almere. In sneltreinvaart deed ze de Almeerse ambities uit de doeken: uiterlijk 2010 alsnog de eis van één derde halen en dit aantal daarna alleen maar verder opschroeven. Dezelfde Adri Duivesteijn die het onderwerp eind jaren negentig al op de politieke agenda plaatste, heeft het nu als wethouder ruimtelijke ordening in Almere tot zijn persoonlijke missie verheven om hier een stad te maken voor, maar vooral dóór de burgers. Daarmee hoopt hij een Almere te maken dat niet alleen een grote diversiteit in architectuur en samenlevingsvormen kent, maar waarin bewoners zich ook betrokken voelen bij hun leefomgeving. Het Homeruskwartier vormt de komende jaren een grote testcase, die als inspiratiebron moet fungeren voor latere ontwikkelingen.

Die testcase lijkt te gaan slagen. Ruim een week voor de discussieavond in Utrecht vond in het weekend van 9, 10 en 11 november de ikbouwmijnhuisinalmere manifestatie plaats, met mogelijkheid tot kavelinschrijving. De belangstelling voor de eerste 1400/1500 kavels (tweede ronde vindt plaats in 2009) was overweldigend: ‘Als de in ontwikkelaarland geldende 10 procentregeling ook hier opgaat, dan zitten we met 14.000 geïnteresseerden gebakken’, aldus Tellinga. Zo’n 350 kavels gaan naar particulieren. 92 kavels zijn gereserveerd voor architecten die hun ontwerp willen realiseren zonder er zelf in te gaan wonen. Dan zijn er nog 6 kavels met ruimte voor woontorens die in collectief particulier opdrachtgeverschap kunnen verrijzen. Het grootste deel van de kavels, zo’n 1000 verdeeld over 7 velden, komt in mede-opdrachtgeverschap tot stand. Dat betekent dat de toekomstige kopers of huurders van een veld mogen kiezen welke van de twee uit een eerdere selectie overgebleven plannen tot uitvoer zullen komen. De betrokken projectontwikkelaars doen ondertussen van alles om met hun plan de aandacht te trekken.

Al met al een zeer ambitieus project, waarin zelfs voor mensen die normaal geen eigen kavel kunnen bekostigen door een sociale koopregeling van Dudok Wonen alsnog mogelijkheden zijn geschapen. Maar Almere is zeker niet de eerste plek waar het particulier opdrachtgeverschap floreert. Marcel Kastein, een van de oprichters van het adviesbureau De Regie, vestigde de aandacht op Brabant, waar inmiddels 67 gemeenten werken aan vormen van collectief particulier opdrachtgeverschap. En ook in Gelderland en Noord-Holland zijn plannen in ontwikkeling. De langverwachte doorbraak zit er volgens hem dan ook zeker aan te komen. Kastein wijt de vertraging vooral aan de onbekendheid met het particulier opdrachtgeverschap die de lagere overheden ervan weerhielden vrijgekomen kavels aan particulieren te verkopen. Gemeenten vreesden voor moeizame en langdurige processen, zeker als het om projecten in collectief opdrachtgeverschap ging.

Dat zulke vooroordelen nog altijd de ontwikkelingen frustreren, terwijl ze vaak ongegrond zijn, bleek ook uit de verhalen van de in Utrecht opgetrommelde architecten en bewoners. Een bewoner van de duurzame en in collectief opdrachtgeverschap ontwikkelde Kersentuin in Leidsche Rijn bevestigde dat de gemeente destijds vreesde voor eindeloze gespreksavonden, terwijl de bewoners er uiteindelijk binnen een paar avonden uit waren. Maar ook onder bewoners zelf heersen veel angsten en vooroordelen. Over vervelende welstandcommissies of over architecten die met hun ideeën aan de haal zouden gaan bijvoorbeeld. Bewoners willen vaak bouwen zoals iedereen bouwt, uit angst dat hun huis anders onverkoopbaar blijkt. ‘Er zijn maar weinig mensen die echt vanuit hun eigen woonwensen durven te denken en die niet meteen een plaatje aanwijzen’, stelde Rolf Reichardt van MONK architecten.

Hij had de eer om een jong stel dat het lef wél had te begeleiden bij de bouw van hun nieuwe woning op het Fort Blauwkapel aan de noordrand van Utrecht. De speciaal voor Aorta gemaakte film Het wilde dromen toont hun ervaringen, naast dat van twee anderen. Ze wensten een open woning met een zithoek rondom een open haard. MONK architecten – gekozen omdat de website aansprak – ontwierp een vrijwel volledig uit hout en glas opgebouwde zeer smalle woning met grote stenen schoorsteen. Het hout verwees naar de tijd dat het fort nog in functie was en alleen houten opbouwen waren toegestaan. Mede hierdoor wekte het ontwerp de interesse van de welstandscommissie die uiteindelijk een deel van haar strenge eisenpakket liet varen en realisatie mogelijk maakte. De bewoners zijn nog altijd trots en ‘ach, we verkopen het huis misschien niet zo snel als een doorsnee woning, maar we zijn ervan overtuigd dat – mochten we er ooit uitgaan – er altijd wel een selecte groep geïnteresseerden zal zijn’.

Dit is een voorbeeld van particulier opdrachtgeverschap zoals alle partijen het graag zien. Jammer is alleen dat de kosten uiteindelijk hoger lagen dan begroot (275.000 ipv 214.000) – al zat dit verschil vooral in de niet begrootte tuinaanleg en keukeninrichting – en dat de documentaire daarmee alsnog een vooroordeel van de burger ten aanzien van de architect bevestigde. En opvallend is dan dat de systeembouwer Danilith die de woning van een ander stel ontwierp, met enig passen en meten vooralsnog wel binnen de begroting (400.000) leek te blijven. Hier kwam echter weer een soort kruising tussen een boerderette en Hollands landhuis uit voort, wat enig gesteggel met de welstand – in dit geval gepersonifieerd door stedenbouwkundige Christian Kohl – opleverde. Het soort woning waar moderator Bernard Hulsman op doelde toen hij tijdens de discussie zijn vrees voor een alles overspoelende jaren-dertig-saus uitsprak. Daarmee onthulde hij op zijn beurt alsnog een vooroordeel van architectuurminnend Nederland over de truttige smaak van de burger. Eén ding maakte het drukke programma in Utrecht dan ook overduidelijk: er zijn nog vooroordelen genoeg. Het wordt minimaal wachten tot ergens in 2008 tot de grootschalige testcase van het Homeruskwartier ons in levende lijve kan gaan tonen of overheid, burger en architect elkaar zo zijn genaderd dat alle vooroordelen definitief overboord kunnen.