Feature —

Architectuur 3.0 of Architectuur is er om kapot te maken

Michiel van Raaij

“Hij laat geen gebouwen zien”, fluistert iemand naast me wat al te zelfvoldaan. Want dat je over architectuur kunt praten zonder gebouwen te laten zien, bewees Willem-Jan Neutelings nog tijdens het Architectuur 2.0 symposium. Maar had NAi directeur Ole Bouman het donderdag 10 januari over architectuur?

“Wilt u dat u ertoe doet?”, begon Ole Bouman retorisch. ‘Ja’, knikte de zaal. Natuurlijk, beaamde Bouman, om de zaal meteen vijf manieren voor te leggen hoe iemand er toe kan doen:

– U blijft uw werk doen zoals u dat altijd al deed

– U kunt proberen eigentijds te zijn

– U kunt proberen hip te zijn

– U kunt ook proberen relevant te zijn

Als architect baseer je je dan respectievelijk op het verleden, het heden, het volgende seizoen, en het volgende jaar. Maar:

– U kunt ook 10 jaar vooruit kijken

Deze laatste persoon zal het niet makkelijk hebben, stelde Ole Bouman trots, want: “Profeten zijn dubieuze figuren.” Doelde Bouman daarmee op zichzelf? Altijd vooruitkijkend, maar niet begrepen in zijn eigen tijd? Is dat een niet wat al te arrogante houding?

Hij zou deze avond een aantal dingen opperen, ging Bouman verder. Hij zou 10 jaar vooruit kijken. En dat terwijl de zaal hoofdzakelijk gevuld was met gepensioneerden. De centrale vraag: Wat gebeurt er met de architectuur als we overal (in alle disciplines) bezig zijn om verschillen te overbruggen en te laten verdwijnen? Wat gebeurt er dan met ons vak, dat zich juist toelegt om verschillen te maken?

Het klonk als een wanhopige kreet van iemand die zelf ook niet meer weet met wat voor stelling hij nu weer moet komen, niet meer weet hoe hij zelf nog verschil kan maken. Wat volgde was een ellenlange opsomming van voorbeelden waaruit dat verlies aan verschillen zou moeten blijken. De verschillen tussen binnen en buiten verdwijnen, aldus Bouman, maar ook de verschillen tussen man en vrouw (!), en tussen de private en publieke sfeer. Het verlies van verschillen was zelfs doorgedrongen in ons vocabulaire, met populaire woorden als fuseren, Creative Commons en cross-media.

Het enige echte verschil dat we nog kunnen maken, stelde Bouman, ligt in de definitie van onze vijand, een vijand die er eigenlijk niet is, maar die we kunnen creëren door hem net zo lang op te blazen tot hij als zodanig herkenbaar is. Een YouTube filmpje waarin een marineofficier vanaf een Amerikaans oorlogschip letterlijk inzoomt op een Iraans rubberbootje illustreerde dit punt. Bionische benen bewezen dat het verschil tussen gehandicapt zijn en niet-gehandicapt zijn is opgeheven. Het virtueel nabouwen van de uitgestorven Sabeltanttijger bewees dat het verschil tussen dood en leven is opgeheven. En met de TomTom is het verschil tussen jou als persoon en de buitenwereld ook opgeheven, je volgt alleen de aanwijzingen op en kijkt niet meer om je heen.

Verteerde iemand in de zaal deze onzin? Met hetzelfde gemak geef je de avond erop een PowerPoint presentatie waarin je het tegenovergestelde beweert. Er zijn bijvoorbeeld ook navigatiesystemen waarin ‘landmarks’, architectuur dus, zijn omgenomen om de oriëntatie te verbeteren. Ronduit belachelijk werd het toen Bouman de voorgestelde uitbreiding van het MoMa door Jean Nouvel aandroeg als een voorbeeld van ‘branchevervaging’, want: het was niet alleen een museum, maar ook een hotel en een woongebouw.

Voor de laatste fase van zijn lezing ging Ole Bouman over op een net wat andere stelling: In een wereld waarin verschillen alleen nog door bedrijven worden gemaakt, heeft het maken van verschillen haar waarde verloren, het heeft geen zin meer. Bedrijfs-iconen, zoals het ING House, bedoeld als reclame voor het bedrijf, worden nu tegen hen gebruikt: “Sommige banken denken eerst aan architectuur. Binck denkt eerst aan uw provisie.”

Het wereldwijd streven naar alsmaar nieuwe iconen is zinloos, concludeerde Bouman. Als een boemerang komt dat nu terug, met publicaties als ‘Architecture of the Absurd’, van John Silber. Hierin worden iconen voorgesteld als gebouwen die er enkel zijn om de ego van de architect te strelen, maar niet functioneren. “Architectuur was er toch voor de mensen?”, citeert Bouman de inkopper van John Silber. Ook een aanrader van Bouman: “Dear architects, I am sick of your shit”, van Annie Choi. “Staat op alle architectuurblogs”, aldus Bouman. Alsof dat iets zegt.

De finish bereikte Bouman met een verassende draai in zijn verhaal: “De ‘bulk’ van de architectuur zou niet moeten bestaan uit het maken van de uitzondering, maar moeten bestaan uit het maken van de regel.” Want: “De ratrace voor het verschil is alleen goed voor een klein clubje.” Uit de hoge hoed van Ole Bouman kwam de oplossing hiervoor in de vorm van de piramide van Maslow:

Dialogue

Fairness

Sustainability

Security

Shelter

“Dat is al eens eerder voorgesteld”, klonk het luid uit de zaal. Een dooddoener. Draait de architectuurtheorie rondjes en bijt het nu zichzelf in de staart?

Het was een gezellige avond in het NAi. Maar ook een avond met een verhaal dat veel vraagtekens opriep. Het was zo’n klassiek verhaal dat een crisis probeerde te schetsen, om vervolgens met een oplossing op de proppen te komen. Als er geen crisis is, dan bedenken we die wel. De boeman is, lekker klassiek, het kapitalisme en de veronderstelde uitwassen daarvan. Tegenwoordig heet dat ‘globalisatie’ en ‘iconen.’

Het is een te makkelijk verhaal. Door alle zogenaamde ‘iconen’ op één hoop te gooien gaat Bouman voorbij aan het feit dat er bepaalde iconen dé architectonische hoogstandjes van dit moment vormen. Ik noem een Guggenheim Museum in Bilbao, een Swiss Re toren in London, een Olympisch Stadion in Beijing. Natuurlijk zijn er een hoop slechte iconen, maar veel belangrijker zijn die paar hele goeie. Door dat simpelweg te negeren, zet je jezelf als directeur van het Nederlands architectuurinstituut totaal buiten de realiteit. Dat is niet tien jaar vooruit kijken, maar tien jaar achteruit kijken.