Opinie —

Bottom-up of Top-down

Ebami Tom

De tijden van de visionaire ontwerper die carte blanche krijgt voor zijn ontwerp van een autocratische leider zijn in Nederland voorbij. Alleen in nieuwe steden met progressieve wethouders zoals Almere, lukt het nog wel eens een visioen zonder al te veel inmenging van belanghebbenden te realiseren.

Het overgrote deel van de ontwerpopgaven in Nederland bevindt zich echter in stedelijke gebieden, waar steeds meer belanghebbenden zich democratisch mengen in de besluitvorming rondom de gemaakte plannen. Zo organiseren belangengroepen zich op internet om plannen tegen te houden. Als gevolg van dergelijke acties zal de planvorming steeds trager verlopen en zelfs volledig stil komen te liggen, als er niet geanticipeerd wordt op deze ontwikkeling.

De ontwerptraditie van het maken van een ‘autistisch’ plan binnen de eigen discipline, wat uiteindelijk wordt gepresenteerd als een definitief plan, zonder raadplegen van belanghebbenden, stuit op steeds meer weerstand. De verlichte democratische samenleving wordt steeds meer een horizontale organisatie. Met behulp van nieuwe media kan men over informatie beschikken die in het verleden alleen tot het kennisveld van de architect of stedenbouwer behoorde. De ontwerper moet zijn positie daarom opnieuw gaan definiëren, als hij niet uit frustratie zijn heil wil zoeken in meer autocratische landen.

Op het symposium Informal City Making, begin december in Delft, gaven een aantal sprekers voorbeelden van een mogelijke herpositionering voor de ontwerper in de democratische planvorming. Wouter Veldhuis van MUST stedenbouw, vertelde over zijn opdracht om een nieuw ontwerp formuleren voor een stedelijk transformatie gebied in Eindhoven. Het oorspronkelijke plan van de gemeente kwam niet van de grond nadat bewoners met de lokale woningcorporatie een coalitie hadden gevormd tegen de planvorming. MUST formuleerde een nieuw stedenbouwkundig kader waarbinnen de meeste geïnventariseerde wensen een plek kregen. Gebruikmakend van optionele stedenbouwkundige configuraties werd in overleg met de belanghebbende vastgesteld welk plan het meeste draagvlak en kwaliteit zou opleveren.

Zo ontstond uiteindelijk een breed gesteund masterplan, ‘waarna het weer de beurt aan de professionals was om daar invulling aan te geven’; aldus Veldhuis. Met name de onafhankelijke positie van de ontwerper bleek een belangrijk breekijzer om het proces weer vlot te trekken.

Architecte Ekim Tan, toonde op het informele symposium een antwoord van architecten op de burgerparticipatie. In een stadsuitbreiding Quinta da Malaguiera van het Portugese stadje Évoraheeft Alvaro Siza in de jaren zeventig een moderne cataloguswoning ontworpen waarin bewoners hun eigen woonwensen konden realiseren. Een recente inventarisatie van de gemaakte wijzigingen door Ekim Tan leerde dat de bewoners wijzigingen hadden aangebracht aan hun woning. Democratische architectuur leverde in dit geval een rijke schakering aan woningen op die toch redelijk streng geregisseerd een vrijheid voor de burgers opleverde.

Het Nederlandse particuliere opdrachtgeverschap is het best te vergelijken met dit voorbeeld.

De ontwerpende discipline is in Nederland van oorsprong een Top-down discipline. Zijn de hedendaagse ontwerpers daarom in staat om onderdeel te worden van een nieuwe vergadercultuur? Zijn zij in staat om in tijdrovende processen hun behoefte aan het maken van snelle spraakmakende ontwerpen te onderwerpen aan een positie als intermediair tussen belangengroepen en plannenmakers? Is het eindresultaat van een democratisch ontwerpproces waarin ‘bijna’ iedereen tevreden is werkelijk een nieuw Utopia?

Ongeacht de wens om als architect in korte tijd spraakmakende vooruitstrevende plannen te ontwerpen en te realiseren met zo min mogelijk tegenwerking, is de democratisering van het ontwerpproces een onomkeerbaar feit. In Nederland zal de architect en stedenbouwer daarom een methodiek moeten ontwikkelen om vast te stellen welke positie hij in het democratische proces wil innemen. Is hij de onafhankelijke strateeg die al in een vroeg stadium van het proces meewerkt aan de inventarisatie van wensen en ideeën van belanghebbenden om die te vertalen naar een werkbaar democratisch model. Of wacht hij tot het eind van het proces en mag hij aan het eind van een inventarisering een zo integraal mogelijk antwoord geven op de door anderen geformuleerde vraag? Als de autonome ontwerper niet mee gaat in de democratisering, rest hem niets anders dan het afgrazen van Nederland naar onontgonnen keizerrijkjes. Kale vlaktes, waar visionaire plannenmakers geen georganiseerde belangengroepen hoeven te verwachten, geen bezwaarschriften hoeven te pareren en geen vergaderingen met participanten hoeft bij te wonen. Autocratische woestijnen waar de visionair nog gewoon een handschets mag overdragen aan een vermogend opdrachtgever die zonder te veel vragen het geschetste realiseert.

De nieuwe realiteit van de Nederlandse Architect zal echter met name bestaan uit interviewen, enquêtes, inspraakavonden en workshops met belanghebbenden voordat er één streep op papier komt te staan. Wellicht moet ik daarom maar gaan sparen voor een ticket naar Dubai.