Feature —

De wederopbloei van Bogotá

Juanita Fonseca en Camilo Pinilla

In het Amsterdamse Arcam is nog tot en met 26 januari de tentoonstelling Bogotá, the Proud Revival of a City te zien. Getoond wordt welke inspanningen men in de Colombiaanse hoofdstad gedurende de afgelopen vijftien jaar heeft geleverd om de ruimtelijke, sociale en economische problemen aan te pakken die karakteristiek zijn voor de meeste Latijns-Amerikaanse megalopolissen.

De rijkdom en verscheidenheid aan tentoongestelde initiatieven, en de getoonde productiviteit van de gemeentelijke publieke instellingen werpt de vraag op, wat al deze projecten nu eigenlijk bindt. Hoe kon een stad als Bogotá, met een inwonersaantal dat sedert de jaren zestig is verviervoudigd (van circa 1,7 miljoen naar 6,8 miljoen inwoners), in slechts 15 jaar zoveel vooruitgang boeken? Het antwoord, denken wij, is drieledig: door een toevalligheid, doordat er een collectief ideaal werd nagestreefd en doordat een aantal resultaten als katalysatoren fungeerden.

Laten we met het toeval beginnen. De indrukwekkende transformatie wordt toegeschreven aan het bestuur van een reeks charismatische burgemeesters. Vanaf 1992 wordt Bogotá een vruchtbare langetermijnstrategie gevolgd die is uitgezet door een reeks gekozen burgemeesters met allemaal verschillende maar complementaire doelstellingen (1). Zo moderniseerde burgemeester Jaime Castro (1992-1994) de gemeentelijke administratie waardoor burgmeesters onafhankelijker van de bureaucratische gemeenteraad konden opereren. Daarnaast werd zijn ambtstermijn ook gekenmerkt door een uitstekend economisch beleid.  Het resulteerde in een overschot dat werd bestemd voor toekomstige investeringen. Zijn opvolgers, de burgemeesters Antanas Mockus (1995-1997) en Enrique Peñalosa (1998-2000), waren afkomstig uit niet-traditionele politieke partijen en hun verkiezing was een uitdrukking van de onvrede van de inwoners met de traditionele politiek. Hun ontwikkelingsplannen, respectievelijke ‘Formar Ciudad’ (De stad onderwijzen) en 'Por la Bogotá que queremos’ (Voor het Bogotá dat wij ons wensen), markeerden een mentaliteitsverandering bij de bestuurders van Bogotá. Nieuwe energie werd gestoken in openbare instellingen, er werden teams van werknemers benoemd die grotendeels uit jonge academici en deskundigen bestonden. Deze werknemers waren niet afhankelijk van politieke partijen en coalities en gingen derhalve ethisch, efficiënt en vakkundig te werk, waardoor de corruptie afnam, de competentie van het personeel toenam en de verhoudingen met de private sector verbeterden. Mockus stimuleerde de ontwikkeling door de lancering van verscheidene didactische campagnes gericht op het verbeteren van de burgerlijke cultuur, het herwinnen van de openbare ruimte, het aan de orde stellen van milieuvraagstukken, en op sociale vooruitgang. Bovendien nam tijdens zijn ambtsperiode de stedelijke productiviteit toe, waardoor burgers waardering kregen voor het rechtmatige institutionele bestel. Alle bovengenoemde administratieve, economische en didactische omstandigheden maakten de weg vrij voor Peñalosa die het meest ambitieuze programma in de geschiedenis van Bogotá betreffende de openbare ruimte, openbaar vervoer, groene recreatiegebieden en de legalisering van illegale nederzettingen in werking zette. De resultaten zijn te zien in Arcam.

Achter deze verschillende en complementaire praktijken school een gemeenschappelijk thema, waardoor de eenheid tot op zekere hoogte bewaard bleef. Wat deze stadsbesturen met betrekking tot het collectieve ideaal gemeen hadden, was hun vermogen om andere partijen leiding te geven, te overtuigen en te verplichten ten gunste van de stad. De bevolkingsaanwas van Bogotá is afkomstig van nationale migratie en dat betekent dat het identiteitsbesef er over het algemeen niet sterk is. Toch slaagden deze stadsbesturen erin de mensen trotser op hun stad te maken door gewone burgers, ambtenaren en particuliere ondernemingen plichtsbesef bij te brengen. Hoewel er nog veel te verbeteren overblijft staat men nog steeds achter het idee van collectieve rijkdom. Het ontwikkelingsplan van de zittende burgemeester Luis Eduardo Garzón’s (2004-2007) ‘Bogotá sin indiferencia’ (Bogotá zonder onverschilligheid)  bijvoorbeeld hielp 700.000 gezinnen met een laag inkomen in hun levensonderhoud te voorzien door middel van voedselprogramma’s. Bovendien stuurde hij de bouw van 22 scholen aan en liet hij er nog eens 200 opknappen. De onlangs verkozen burgemeester Samuel Moreno Rojas (2008-2011) wil met zijn plan ‘Bogotá Positiva’ (Positief Bogotá) voort te borduren op de bestaande programma’s en aan de planning van een stedelijk metrostelsel te beginnen.

Het is van belang te benadrukken dat deze plannen en projecten niet allemaal tegelijkertijd het daglicht zagen. Ook deelden niet alle burgers de ten doel gestelde idealen met betrekking tot onderwijs, burgerschap en collectiviteit. Er was in feite sprake van een zekere mate van verzet en discussie. Maar toen er tastbare resultaten zichtbaar werden – hier een park, een nieuwe school in de wijk, daar een bibliotheek – begonnen die resultaten zelf als katalysatoren te fungeren en zelfs nog meer initiatieven in gang te zetten. De inwoners van Bogotá hebben geleerd dat gemeenschappelijk profijt individuele voordelen met zich meebrengt en zijn daardoor veeleisender en bewuster geworden waar het gaat om de kwaliteitsaspecten van collectieve voorzieningen.

Samenvattend is de presentatie van de expositie ‘Bogotá, the Proud Revival of a City’ als een verkenning van de stedelijke transformatie, als een verzameling producten niet relevant: het gaat om het besef dat stedelijke transformatie een allesomvattend proces is. Een proces, dat een productieve interactie met zich meebrengt tussen een grote verscheidenheid aan participanten – openbare diensten en hun werknemers, (project)ontwikkelaars, burgers, onafhankelijke organisaties, enzovoorts – die samenwerken ten dienste van het collectieve groepsgevoel. Ondanks het feit dat de stad vergeleken met andere hoofdsteden haar potentieel nog lang niet heeft geoptimaliseerd, heeft dit coöperatieve proces nationaal en internationaal erkenning gekregen (2).