Feature —

Nederland: “land van knoeien en heroïek”

Joost Verlaan

De openheid van het Nederlands landschap wordt in hoog tempo verkwist. De grenzen van het Groene Hart zijn stelselmatig opgerekt en de Zuidvleugel van de Randstad is uitgegroeid tot een monsterachtig ‘Los Angeles’ in de Lage Landen. Aaneengeklitte woonwijken en bedrijventerreinen versnipperen de eeuwenoude polders. Aangekondigd als een lezing over het recente werk van West 8, mondde de lezing van Adriaan Geuze in het Rotterdamse NAi uit in een verhandeling over het failliet van de ruimtelijke ordening in Nederland.

In een afgeladen auditorium zette Adriaan Geuze zijn opvattingen over het Hollandse landschap en de hedendaagse planningspraktijk uiteen. “Het landschap is de ziel van de Nederlandse cultuur” zo stelt Geuze in Mosaics West 8, de recent uitgekomen publicatie met enkel gerealiseerd werk. “Zonder het weidse polderland zullen de bewoners mentaal verweesd raken, impotent zijn als Zwitsers zonder bergen en eenzaam als Italianen zonder eten.” Om de huidige ontwikkelingen te stoppen moeten we teruggrijpen op de Nederlandse landwinningtraditie. In de middeleeuwen ontgonnen de eerste bewoners een zompige moerasdelta om landbouw te kunnen bedrijven. Ernstige daling van het land en verschillende stormvloeden dwongen de bewoners tot nieuwe maatregelen. Dijken hielden de lager gelegen delen droog, en met de uitvinding van molens kon men het water uit de polders slaan. Ook werden buitendijkse gebieden ingepolderd en door middel van aanslibbing en ringdijken werden vruchtbare stukken land onttrokken aan de zee. Deze nieuwe polders waren met hun orthogonisch geplaatste kaarsrechte sloten de “kunstwerken van de ingenieurs”. De technologie vond zijn apotheose in de droogmakerijen van de 17e eeuw. Dit schone land met aan zijn horizon de silhouetten van windmolens was niet ontgonnen maar geschapen. Het landmaken kreeg hierdoor een culturele dimensie.

Het aanzicht dat dit nieuwe land met zijn lage horizon en fraaie wolkenluchten bood, bleef niet onopgemerkt bij schilders. Geuze roemt Het laantje van Middelharnis van Hobbema (1689) als een “hommage aan de orthogonaliteit” en stelt dat de bijzondere belichting in Rembrandts werk regelrecht is te herleiden tot het zonlicht in de polder dat door een wolkenfront priemt en één plek in het land uitkiest om op te lichten.

Begin 20ste eeuw kreeg de fine art of landmaking een nieuw hoogtepunt. De watersnood van 1916 was de aanleiding, of het alibi, om de Zuiderzeewerken te beginnen. Geuze wijst, naast de grootsheid van het project – “de Noordoostpolder is een waanzinnige zentuin” – vooral op de harmonie van ingenieurskunst, implementatie en onderzoek. Zijn drie helden uit deze tijd – Lely, De Blocq van Kuffeler en Lorentz – zorgden voor een open planproces waarin proefondervindelijk werd gewerkt naar een duidelijk toekomstbeeld, naar een perfecte symbiose van stad, land, natuur en samenleving in het nieuwe land.

In de jaren '70 stond een generatie op die protesteerde tegen deze grootschaligheid. Zij namen afstand van de euforie waarmee het nieuwe land was geschapen. In de Wet op de Ruimtelijke Ordening werd het idee dat “het land moest worden behoed tegen schoksgewijze en grootschalige ontwikkelingen” gevat in beleid en procedures. In de loop der jaren is dit beleid gegroeid tot een kluwen “waarin zelfs de beste juristen hun weg niet meer kunnen vinden”. Bovendien lijken beleid en procedures het doel op zich geworden; de ruimtelijke planning vormt een industrie waarin 100.000 mensen hun brood verdienen.

De nekslag voor de ruimtelijke planning is de decentralisatie van de Rijksregie op onder meer het Groene Hart. Deze regie moet nu worden gevoerd door een grote hoeveelheid organisaties met tegengestelde belangen die zorgen voor een inhoudelijk schaakmat. Ondertussen is het boerenland in het Groene Hart allang geen boerenland meer. Dat wil zeggen, niet in eigendom van de boeren. Ontwikkelaars hebben reeds lange tijd de grond in handen. Vage beleidstermen als 'zoeklocatie' en 'corridor' worden zo een vrijbrief voor nieuwe bebouwing binnen de Groene Hart contour.

Is er dan nog een uitweg uit dit 'verknoeien' van ons open landschap? Hoe kunnen we teruggrijpen op die ingenieurstraditie met duidelijke toekomstperspectieven, een open onderzoekend planproces en aandacht voor schoonheid? Geuze stipt een aantal denkrichtingen aan. De stad moet weer centraal gesteld worden in de stadsontwikkeling. Hij rekent voor dat binnen de Rotterdamse stadsgrenzen nog 27.000 grondgebonden woningen kunnen worden ontwikkeld. Dit zou de gehele ontwikkeling van de Zuidplaspolder overbodig maken.

De andere optie is het protest. Het bekende horizonproject van West 8, waarbij een oplettende opblaasbare koe langsrazende automobilisten waarschuwt voor het verloren gaan van het eeuwenoude veenweidegebied in de Randstad, is hier een duidelijk voorbeeld van. Dit project leidde tot nieuwe initiatieven. Geuze lichtte een tipje van de sluier op. West 8 ontwikkelt nieuwe plannen voor het Groene Hart en gaat daarbij uit van vier dragers: een duurzame grootschalige landbouw gericht op kwaliteitsproducten, een netwerk van vaarwegen, een fijn haarnet van fiets- en wandelpaden en een vijftigtal panorama's van open veenweide.

Het is, zo stelt Geuze, “de verantwoordelijkheid van architecten om plannen te maken, in toekomstperspectieven te voorzien”, en “de verantwoordelijkheid van politiek om het landschap te omarmen”. Maar, zo eindigt hij zijn betoog, “we leven in een tijd van lamlendigheid, van knoeien.” Het is wachten op die “kink in de kabel” die ons de noodzaak en het alibi verschaft om opnieuw de toekomst te veroveren. “Het is wachten op een stormramp die het verweesde polderland weer schoonspoelt, zodat toekomstige generaties het opnieuw kunnen kussen.”