Feature —

Spaanse hoogstandjes

Robert-Jan de Kort

Welke ingrediënten heeft een architect nodig voor het ontwerpen van nieuwe woonomgevingen in hoogbouw? Moet de wolkenkrabber radicaal hervormd worden om weer aantrekkelijk zijn in een post-suburbane samenleving? Op deze vragen hoopte het Berlage Instituut een antwoord te vinden tijdens een masterclass met Iñaki Ábalos. Deze gaf op dinsdag 11 december ook een lezing over zijn werk.

Met het boek Tower and office onderstreept de Spanjaard Iñaki Ábalos – die met Juan Herreros het bureau Ábalos & Herreros runt – zijn fascinatie voor de wolkenkrabber. Die ontstond in San Sebastian, waar hij de torens van de Spaanse architect Saenz de Oiza nauwkeurig bestudeerde. Ook keek hij naar de Amerikaanse wolkenkrabbers uit de jaren ’60. De oorsprong van zijn interesse ligt echter bij Le Corbusier. Ábalos biechtte op dat het werk van Le Corbusier een onuitputtelijke bron van inspiratie vormt voor al zijn projecten. Le Corbusier stelde zich een wereld voor waarin de natuurlijke omgeving, als tegenhanger van de bebouwde, vooral een esthetische rol zou spelen. De natuur als een peepshow – deze rol is in de ogen van Ábalos te passief. Ábalos zoekt naar nieuwe ontwerpconcepten voor de invulling van zowel de verticale volumes als het horizontale veld dat tussen de gebouwen overblijft. Inspiratie put hij daarbij zowel uit de wetenschap als uit de natuur. Wetenschappers streven naar logische en simpele concepten om de complexiteit van de natuur te duiden. Zodra men hierin slaagt is de oplossing ‘elegant’ te noemen. De grafische weergave van een DNA-streng is hier een voorbeeld van. Ábalos gelooft in de kracht van de elegante architectonische vorm als het om duurzaamheid gaat, in plaats van in complexe ‘actieve systemen’. Dit om te voorkomen dat gebouwen er uit gaan zien als ‘Hightech dragqueens’.

Elegante concepten voor het bouwen in hoge dichtheden zijn talrijk in het werk van Ábalos en Hererros. In Vitoria stelden zij bijvoorbeeld vier torens voor, terwijl er in de prijsvraag om één bouwvolume werd gevraagd. De slanke torens, met op de begane grond winkels en daarboven slechts 2,5 woning per etage, bieden zowel de bewoners als de omwonenden een uit- en doorzicht op de landelijke omgeving aan de rand van de Spaanse stad.

Soms is een mix van openbaar en privaat programma nodig om een leegte in de stad op te laden. In Las Palmas bouwde Abalos een compositie van een toren en twee flankerende gebouwen. De expressiviteit van de toren, een duidelijke referentie naar de BBVA toren van Saenz de Oiza in San Sebastian, zorgt ervoor dat de plek wordt aangeduid en dat de ruimte die overblijft benut kan worden om openbare ruimte voor de stad te maken.

Soms kan hoogte ook heel relatief zijn. In de periferie van Madrid ontwierpen de Spanjaarden een bibliotheek die zich met slechts vier verdiepingen toch als toren manifesteert. Dit keer is het uitzicht vanuit het gebouw – op de troosteloze buitenwijk – juist geminimaliseerd.

De gebouwde werken van Ábalos & Hererros zijn sterk verbonden met hun context en verrijken deze zowel door hun architectonische verschijning als met hun programmatische samenstelling. Ábalos hield tijdens zijn lezing een pleidooi voor de schets als bakermat van goede ideeën en bevestigde hiermee dat hij een architect is in de klassieke zin; een ontwerper van gebouwen die ontstaan vanuit goede, met virtuoze pennenstreken op papier gezette ideeën.

Ábalos lijkt in zijn lopende projecten op zoek ze zijn naar een nieuwe vormentaal, die complexer oogt. In San Sebastian ontwierp zijn bureau een wormvormig gangenstelsel dat zich om een groep torens heen vlijt. Het geheel lijkt op een glijbaancomplex van een zwemparadijs, waarbij de gebruiker zich door het buizenstelsel kan bewegen om de verschillende torens te bereiken. Vervolgens toonde hij een 170 meter hoge woontoren in Parijs. De toren moet een attractief icoon worden dat met name jonge mensen aantrekt en zo verandering in de wijk teweeg brengt. Het ontwerp oogt als een kandelaar, omdat het bovenste deel zich opsplitst in vier aparte torens. Ábalos gebruikte dit keer Las Torres Blances in Madrid (1968) van Saenz de Oiza als referentie. Ábalos stopte zoveel expressie in de toren om de voornamelijk uit infrastructuur bestaande context van een tegenhanger te voorzien. De directe omgeving bemoeilijkt een subtiele aansluiting op het maaiveld, terwijl de toren als landmark relaties aangaat met de Eiffeltoren en de Mont Martre, die op afstand aan de horizon opdoemen.

Zowel het wormvormige gangenstelsel, als de rondingen op de huid van de toren in Parijs lijken geforceerde toevoegingen. Daarmee distantiëren de gebouwen zich van het eerdere werk van Ábalos & Herreros. Bureaus als UN Studio en Fuksas hebben deze vormentaal, en de theorie die het aanwenden ervan legitimeert, veel beter in de vingers. Het is dan ook de vraag of Ábalos & Herreros nieuwe concepten voor hoogbouw moet vertalen naar een nieuwe vormentaal. De door het bureau gehanteerde ontwerphouding heeft immers al vele geslaagde concepten en projecten opgeleverd. Ábalos zou er goed aan doen om het werk van Le Corbusier eens links te laten liggen en ter inspiratie een monografie van zijn eigen bureau open te slaan.